Schrif­te­lijke vragen inzake de zoete inval voor honing­bijen in Amsterdam


Indiendatum: 14 jul. 2021

In Nederland leven 360 soorten bijen, maar meer dan de helft van deze wilde soorten dreigen te verdwijnen. De Rijksoverheid geeft hiervoor als oorzaken: de intensieve grootschalige landbouw, de verstedelijking en het strakker en efficiënter beheer van het openbare groen. Met de Nationale Bijenstrategie wil het Rijk dat in 2030 het aantal bijen en andere bestuivers zoals vlinders en zweefvliegen gelijk is gebleven of is gegroeid.[i]

Ondergetekende is op de hoogte van de Amsterdamse maatregelen om bestuivers te stimuleren, zoals minder maaien en natuurinclusief bouwen. Ook is het de fractie van de Partij voor de Dieren bekend dat in Amsterdam de afgelopen jaren op verschillende plekken in de stad is onderzocht welke soorten wilde bijen er voorkomen. De resultaten zijn opgenomen in een kaart en in verslagen die via de toelichting op de kaart te raadplegen zijn.[ii] In de Groenvisie 2050 werd onderstreept dat in Amsterdam het aantal wilde bijen toeneemt, tegen de landelijke trend in.[iii]

Een punt van zorg is echter de vraag of de vele aanwezige honingbijen in de stad een negatief effect hebben op de wilde bijen. Honingbijen leven samen in een volk en worden door imkers gehouden in bijenkasten, in de stad ook bovenop daken. Het wordt ook wel stadsimkeren genoemd. Een bijenvolk bestaat uit enkele tienduizenden bijen, dus als zij dezelfde voedselbron delen met wilde bijen dan ligt het voor de hand dat de wilde bijen vaker de hond in de pot vinden. Het geluid dat dit een tweekamp is gaat soms op als algemeen feitelijk gegeven, bijvoorbeeld in een recent artikel van schrijver Caspar Janssen over zijn bijenbalkon: “Wie wilde bijen wil helpen kan beter niet gaan imkeren. (…) Een keer beleefde ik een invasie van honingbijen op de blauwe regen die tegen mijn reling op groeit. In die week waren alle wilde bijen weg.”, zo schreef hij vorige maand.[iv]

De kwestie heeft al eerder aandacht van de pers gekregen. In augustus 2019 schreef de Volkskrant een rapportage over een ‘bijenoorlog’ in de Biesbosch doordat er vele bijenvolken in kasten net buiten de grens van het natuurgebied werden gehouden.[v] In antwoorden op schriftelijke vragen hierover vanuit de Partij voor de Dieren-fractie in de Tweede Kamer schreef de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: “Het is wetenschappelijk vastgesteld dat een grootschalige plaatsing van bijenkasten op een gelimiteerde voedselbron een negatieve impact op wilde bijen kan hebben.”[vi] En in mei 2020 sprak Koos Biesmeijer, bijenexpert en wetenschappelijk directeur van Naturalis Biodiversity Center, in de Volkskrant over een onderzoek van Spaanse biologen die een concurrentiestrijd tussen deze soorten blootlegden. Hij zei dat overal in Nederland de dichtheid van honingbijen onnatuurlijk hoog is en dat uit de literatuur blijkt dat wilde bijen bijna altijd te lijden hebben onder deze invasie.[vii]

Er is in Amsterdam geen registratieplicht of systeem van vergunningverlening voor het houden van bijenvolken. Het staat ook iedereen vrij om ermee te beginnen en zichzelf imker te noemen, zonder daarvoor bijvoorbeeld een cursus te hebben gevolgd. In de praktijk worden er wel op verschillende plekken in de stad cursussen bijenhouden aangeboden. Op een gemeentelijke kaart wordt bijgehouden waar in Amsterdam bijenkasten met honingbijen staan.[viii] Bij het inspecteren van de data gaat het om een totaal van 111 kasten, maar de informatie lijkt te dateren uit maart 2014.[ix]

Gezien het vorenstaande stelt ondergetekende, namens de fractie van Partij voor de Dieren, op grond van artikel 84 van het Reglement van orde gemeenteraad en raadscommissies Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen:

  1. In hoeverre is de kaart met honingbijvolken in Amsterdam actueel en compleet en welke waarde hecht het college aan dit overzicht?
  2. Kan het college op basis van wetenschappelijke literatuur aangeven of en in hoeverre in een stedelijke omgeving als Amsterdam de aanwezigheid van honingbijen nadelige effecten zou kunnen hebben op het leven van andere bestuivers?
  3. Zijn er in Amsterdam aanwijzingen dat het aantal aanwezige honingbijen een nadelig effect heeft op het bestaan van andere bestuivers?
  4. In welke mate is het aannemelijk dat er een nog grotere toename van het aantal wilde bijensoorten en andere soorten bestuivers zal plaatsvinden wanneer het aantal honingbijvolken afneemt?
  5. Zie ziet het college een noodzaak tot het sturen op een matiging van het aantal bijenkasten in de stad?

Het lid van de gemeenteraad,

A.L. Bakker


[i] https://www.rijksoverheid.nl/o...

[ii] https://maps.amsterdam.nl/bije...

[iii] https://www.amsterdam.nl/bestu...

[iv] https://www.volkskrant.nl/bete...

[v] https://www.volkskrant.nl/nieu...

[vi] https://www.rijksoverheid.nl/d...

[vii] https://www.volkskrant.nl/wete...

[viii] https://maps.amsterdam.nl/honi...

[ix] https://maps.amsterdam.nl/open...

Indiendatum: 14 jul. 2021
Antwoorddatum: 21 sep. 2021

1. In hoeverre is de kaart met honingbijvolken in Amsterdam actueel en compleet en welke waarde hecht het college aan dit overzicht?

Antwoord: De kaart met honingbijvolken is momenteel niet actueel en niet compleet. Het is een eenmalige inventarisatie van een stagiair in opdracht van gemeente Amsterdam. Het college hecht waarde aan de kaart, omdat mede door deze kaart door de stadsecoloog een inschatting kan worden gemaakt of er ruimte is om een honingbijenkast bij te plaatsen. Dit is bijna nooit het geval. De kaart is een onderschatting van het werkelijke aantal honingbijvolken. Er is momenteel geen capaciteit om de kaart te actualiseren.

2. Kan het college op basis van wetenschappelijke literatuur aangeven of en in hoeverre in een stedelijke omgeving als Amsterdam de aanwezigheid van honingbijen nadelige effecten zou kunnen hebben op het leven van andere bestuivers?

Antwoord: In de afgelopen 20 jaar zijn er diverse wetenschappelijke studies uitgevoerd waaruit gebleken is dat honingbijen in veel situaties een probleem vormen voor wilde bestuivers. Een samenvatting van een aantal van deze studies vindt u op de website www.bestuivers.nl/concurrentie. Een voor Amsterdam relevant onderzoek betreft onderzoek in Parijs (Ropars et all, 20191 ) waarin een negatief verband is aangetoond tussen dichtheid van bijenkasten in stedelijk gebied en bloembezoek door wilde bestuivers, met name door grotere wilde bijen, kevers en hommels. Uit diverse onderzoeken in natuurlijke omgeving waren al aanwijzingen bekend dat honingbijen en wilde bijen met elkaar in competitie zijn om voedselbronnen. In het onderzoek in Parijs is voor het eerst onderzocht of hier ook in stedelijke omgeving sprake van is.

In opdracht van gemeente Amsterdam voert EIS Kenniscentrum Insecten dit jaar een inventarisatie uit naar de wilde bijen in Amsterdam waarbij het kenniscentrum expliciet om advies is gevraagd hoe Amsterdam het beste met honingbijen om kan gaan, vanuit het doel om de biodiversiteit te behouden en te vergroten. Het kenniscentrum zal adviseren of het nodig is om een maximum aantal bijenkasten in te voeren in of nabij ecologische gebieden van Amsterdam. Het advies van EIS Kenniscentrum insecten zal begin 2022 aan de gemeenteraad worden voorgelegd.

3. Zijn er in Amsterdam aanwijzingen dat het aantal aanwezige honingbijen een nadelig effect heeft op het bestaan van andere bestuivers?

Antwoord: Ja, de volgende inventarisaties bevatten aanwijzingen dat de honingbijen een nadelig effect kunnen hebben op bestuivers in Amsterdam: – Anneke Teepe en Arie Koster (2019), Wilde bijen in het Amsterdamse bos in relatie tot honingbijen. Opgenomen in bijlage 1. – EIS Kenniscentrum Insecten (2019), Bijen in elf Amsterdamse stadsparken, in opdracht van gemeente Amsterdam. Zie pagina 16 en 21 van bijlage 2.

4. In welke mate is het aannemelijk dat er een nog grotere toename van het aantal wilde bijensoorten en andere soorten bestuivers zal plaatsvinden wanneer het aantal honingbijvolken afneemt?

Antwoord: Voor met name de grotere bijensoorten, hommels en kevers is het aannemelijk dat een afname van honingbijen leidt tot een toename van voedsel, wat een gunstig effect kan hebben op de populatie grootte. Daarbij dienen ook andere habitatvereisten aanwezig te zijn, zoals de beschikbaarheid van voldoende nestplekken.

5. Ziet het college een noodzaak tot het sturen op een matiging van het aantal bijenkasten in de stad?

Antwoord: Het college wacht het advies af van EIS Kenniscentrum Insecten dat dit jaar wordt gegeven.