Schrif­te­lijke vragen inzake de toegan­ke­lijkheid van tram­haltes


Schriftelijke vragen van het lid Van Lammeren inzake de toegankelijkheid van tramhaltes

Aan het college van burgemeester en wethouders

Toelichting:

Voor de Partij voor de Dieren is voldoende, veilig, schoon en goed openbaar vervoer voor eenieder van essentieel belang.

Uit eigen ervaring en van diverse Amsterdammers constateren wij dat er een gebrek aan bankjes bij Bus en Tramhaltes is. In plaats van zitplaatsen te realiseren, lijkt het erop dat er steeds meer tramhaltes met enkel leunstangen worden aangelegd.

Dit zorgt ervoor dat het openbaar vervoer minder toegankelijk is voor bijvoorbeeld ouderen en mensen die slecht ter been zijn. De Partij voor de Dieren vindt het belangrijk dat het openbaar vervoer toegankelijk is voor elke Amsterdammer.

Gezien het vorenstaande stelt ondergetekende, namens de fractie van de Partij voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen:

  1. Klopt het dat er een trend is dat er minder bankjes zijn bij tramhaltes en meer leunplaatsen?
  2. Kunt u aangeven wat de ontwikkeling is van het aantal zitplaatsen per halte?
  3. Zijn er haltes zonder zitmogelijkheid? Zo ja, hoeveel zijn dat er dan? En waar zijn deze gelokaliseerd?
  4. Indien er haltes zonder zitmogelijkheid zijn, wat is hier de reden voor?
  5. Zijn er plannen om de haltes met geen of weinig zitmogelijkheden aan te pakken, zodat er voldoende zitruimte is? En zo ja wanneer?
  6. Is er een minimum aantal zitplaatsen per halte vastgesteld?
  7. Wie bepaalt de inrichting van een tram/bushalte?
  8. Hoe beoordeelt het college de haltes met leuningen in het kader van toegankelijkheid van het openbaar vervoer?

Het lid van de gemeenteraad,

Johnas van Lammeren

Antwoorddatum: 6 nov. 2018

1.Klopt het dat er een trend is dat er minder bankjes zijn bij tramhaltes en meer

leunplaatsen?

Antwoord:

Er is geen sprake van een geplande ontwikkeling. Bij het plaatsen van een abri is

het uitgangspunt om een bankje te plaatsen, mits er voldoende doorgang over

blijft voor rolstoelen en kinderwagens. Deze voorwaarde vloeit voort uit de wet

gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wet gbh/cz) voor

openbaar vervoer uit 2010.

2. Kan het college aangeven wat de ontwikkeling is van het aantal zitplaatsen per

halte?

Antwoord:

Bij de aanbesteding van het contract voor de abri’s in 2012 heeft gemeente de eis

opgenomen dat er ‘zitgelegenheid aanwezig moet zijn’. Afhankelijk van

de beschikbare doorgang bij de abri kan dit een bankje of een leunsteun zijn.

De gegunde inschrijving heeft een bankje van 125cm breed, wat voor twee

personen voldoende is. Bij een drukke halte met ‘dubbele abri’ en voldoende

doorgaande ruimte zijn er twee bankjes aanwezig.

3. Zijn er haltes zonder zitmogelijkheid? Zo ja, hoeveel zijn dat er dan? En waar zijn

deze gelokaliseerd?

Antwoord:

Ja, er zijn haltes zonder zitmogelijkheid.

Bij ca. 160 haltes is er geen abri aanwezig en dus ook geen zitmogelijkheid. Dit

betreffen bijvoorbeeld haltes waar te weinig ruimte is om een abri te plaatsen of

waar een abri te veel hinder voor verkeer of bewoners veroorzaakt, tijdelijke

haltes in verband met werkzaamheden en eindhaltes waar reizigers niet hoeven

te wachten.

Van de ca. 1460 abri’s zijn er 277 uitgevoerd met leunsteun. Abri’s met leunsteun

staan op smalle plaatsen, veelal in het centrum (zoals grachtenhaltes op de

bruggen), maar ook op perrons waar de ruimte te smal is om toegankelijkheid

voor rolstoelen te kunnen waarborgen.

4. Indien er haltes zonder zitmogelijkheid zijn, wat is hier de reden voor?

Antwoord:

Het plaatsen van een bankje heeft tot gevolg dat de vrije doorgang naar

de ingang van tram of bus minder kan worden, zeker ook voor rolstoelen en

kinderwagens. Als deze minder is dan 120cm wordt gekozen voor een leunsteun.

(De barrièrevrije doorgang op het perron moet minimaal 1,20 m breed zijn. Een

incidentele versmalling van 0,90 m over een maximale afstand van 1,20 m is

toegestaan)

5. Zijn er plannen om de haltes met geen of weinig zitmogelijkheden aan te pakken,

zodat er voldoende zitruimte is? En zo ja wanneer?

Antwoord:

Wanneer blijkt dat door een herinrichting of toegankelijk maken van een halte er

voldoende vrij doorgaande ruimte is ontstaan, zal per geval opdracht worden

gegeven de abri alsnog te voorzien van een bankje.

6. Is er een minimumaantal zitplaatsen per halte vastgesteld?

Antwoord:

Nee.

7. Wie bepaalt de inrichting van een tram-/bushalte?

Antwoord:

De taak voor inrichting van bushaltes ligt bij de wegbeheerder. Dat is de

gemeente. Ook voor tramhaltes ligt die taak bij de gemeente. Inrichtingseisen zijn

vastgelegd in het vastgestelde Plan van Eisen voor bushaltes, resp. tramhaltes.

8.Hoe beoordeelt het college de haltes met leuningen in het kader van

toegankelijkheid van het openbaar vervoer?

Antwoord:

Door daar waar noodzakelijk een leunsteun te plaatsen in plaats van een bankje

wordt voldaan aan de wettelijke eis voor toegankelijkheid om een minimale

doorgang te realiseren.

Burgemeester en wethouders van Amsterdam

Femke Halsema, burgemeester Wil Rutten, waarnemend secretaris