Schrif­te­lijke vragen over infor­ma­tie­voor­ziening (hulp)diensten over in het wild levende dieren


Indiendatum: jul. 2013

Amsterdam, 18 juli 2013

Aan het college van burgemeester en wethouders,

Op 16 juli 2013 verscheen op AT5 het bericht dat een ringslang was bezweken aan verwondingen nadat dit dier door omwonenden gedeeltelijk was bedekt met een grote plank. Op een filmpje was te zien dat de slang onder de plank kronkelde en dat het gebied eromheen was afgezet. Om de afzetting heen stonden politieagenten en omwonenden. Een stuk straat om de slang heen was afgezet om het publiek op afstand te houden. De slang leed echter zichtbaar door de plank die gedeeltelijk op haar lag.

De gemeente Amsterdam bevordert het voorkomen van ringslangen door ecologische verbindingszones aan te leggen, de omgeving geschikt te maken en broeihopen aan te leggen, zoals in Noord en het Amsterdamse Bos.

Gezien het vorenstaande heeft ondergetekende de eer, namens de fractie van de PvdD, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen te stellen:

1. Is het college bekend met het bericht en het filmpje?
2. Wat is de reactie van het college op het voorval?
3. Zijn alle agenten van het Amsterdamse corps goed geïnformeerd over de in Amsterdam voorkomende in het wild levende diersoorten en hun gedrag en eventuele gevaarlijkheid voor mensen en of dieren? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
4. Is er binnen het corps een speciale groep agenten die op de hoogte is van in het wild levende diersoorten en hoe hiermee om te gaan?
5. Politieagenten hebben er goed aangedaan om in bovenstaande casus het publiek op afstand te houden. Daarna lijken agenten verder niets doen voor het welzijn van het vastgezette dier. Zou het niet beter zijn als de politie kans krijgt zich hier beter op voor te bereiden?
6. Deelt het college met ons de mening dat een goede kennis van (het gedrag van) de in Amsterdam meest voorkomende in het wild levende dieren nodig is bij hulpdiensten om veilig en diervriendelijk te kunnen optreden?
7. Is het college bereid om hulpdiensten zoals politie te voorzien van bruikbare informatie rondom de in Amsterdam meest voorkomende in het wild levende dieren? Zoja, op welke manier en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Het lid van de gemeenteraad

J. van Lammeren

Indiendatum: jul. 2013
Antwoorddatum: 26 aug. 2013

1. Is het college bekend met het bericht en het filmpje?

Antwoord:Ja.

2. Wat is de reactie van het college op het voorval?

Antwoord:Er is sprake geweest van onvoldoende kennis over hoe te handelen.

3. Zijn alle agenten van het Amsterdamse corps goed geïnformeerd over de in Amsterdam voorkomende in het wild levende diersoorten en hun gedrag en eventuele gevaarlijkheid voor mensen en of dieren? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:Nee, het maakt geen specifiek onderdeel uit van de opleiding tot agent.

4. Is er binnen het corps een speciale groep agenten die op de hoogte is van in het wild levende diersoorten en hoe hiermee om te gaan?

Antwoord:Ja, de opgeleide Dierenagenten.

5. Politieagenten hebben er goed aangedaan om in bovenstaande casus het publiek op afstand te houden. Daarna lijken agenten verder niets doen voor het welzijn van het vastgezette dier. Zou het niet beter zijn als de politie kans krijgt zich hier beter op voor te bereiden?

Antwoord:Ja.

6. Deelt het college met ons de mening dat een goede kennis van (het gedrag van) de in Amsterdam meest voorkomende in het wild levende dieren nodig is bij hulpdiensten om veilig en diervriendelijk te kunnen optreden?

Antwoord:Met meer kennis van zaken had kunnen worden voorkomen dat de ongevaarlijke ringslang tijdig hulp was onthouden.

7. Is het college bereid om hulpdiensten zoals politie te voorzien van bruikbare informatie rondom de in Amsterdam meest voorkomende in het wild levende dieren? Zo ja, op welke manier en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:Discussie over opleiding en bijscholing van de Nationale Politie inzake de inNederland voorkomende wilde dieren en hoe daarmee om te gaan hoort plaats te vinden in de Tweede Kamer.