Schrif­te­lijke vragen inzake het verlies van groene ruimte in Amsterdam en het hanteren van een groennorm


Schriftelijke vragen van de leden A.L. Bakker en Bloemberg-Issa inzake het verlies van groene ruimte in Amsterdam en het hanteren van een groennorm

Aan het college van burgemeester en wethouders

Toelichting door vragenstelsters:

Uit recent onderzoek van planologen aan de UvA i+ii blijkt dat er drie vierkante kilometer groene ruimte is verdwenen binnen de ring in Amsterdam sinds 2003. Het
gaat om 3.000.000 m2 groen dat het heeft moeten afleggen tegen bijvoorbeeld nieuwbouw, stoeptegels en kunstgras. Omgerekend zou het te vergelijken zijn met
550 tot 600 voetbalvelden aan vernietigd groen. De toename van groene daken van 40.000 m2 steekt hier schril tegen af. Ook neemt het gemiddelde oppervlakte van
groene ruimte af: het overgebleven groen in de stad is aan het versnipperen. De onderzoekers gebruikten de relatief nieuwe techniek ‘remote-sensing’ met
satellietbeelden waarmee ook heel plaatselijke veranderingen kunnen worden waargenomen.

De Gezonde Stad concludeerde eerder in 2018 ook al uit hun laatste jaarlijkse Gezonde Stad Monitor dat het groen in de stad terug is gelopen.iii Volgens berekeningen op basis van bodemgebruik van statistiekbureau OIS verdween er tussen 2015 en 2016 een oppervlakte van 285.000 m2 (recreatief) groen en agrarisch terrein. Voornamelijk groene ruimte van park en plantsoen, sportterrein en open droog natuurlijk terrein zijn verdwenen. In het Parool van 11 april 2018iv stelde Jaap de Jong, directeur van De Gezonde Stad, dat de hoeveelheid groen op zijn minst zou moeten meegroeien met de stad. Hij noemde het aantal van 18 gerealiseerde postzegelparken “beschamend”.

De Partij voor de Dieren zet zich al sinds deelname aan de gemeenteraad in 2010 in voor het behoud en versterking voor het groen in Amsterdam. Keer op keer wordt er in gemeenteraadsvergaderingen groene ruimte opgeofferd voor bouwplannen en tegelijkertijd stelt de realisering van nieuw groen flink teleur. De Partij voor de Dieren wil dat Amsterdam een prettig leefklimaat heeft met goede luchtkwaliteit en waterhuishouding, met een rijke biodiversiteit en mogelijkheid voor groene recreatie en lokale voedselproductie. Deze idealen komen in het gedrang als er geen ambitieuze groene plannen worden gerealiseerd bij de huidige ontwikkeling naar een volgebouwde drukke stad.

In de vergadering van de raadscommissie Zorg, Jeugdzorg en Sport op 10 januari 2019 verklaarde de wethouder met portefeuille Sport dat er een Amsterdamse groennorm is van 22 m2 groen per woning.

In het bestuursdocument “Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen” vi, waar het college van B&W op 30 januari 2018 mee heeft ingestemd, wordt voorgesorteerd op het stellen van een groennorm voor Amsterdam. Er worden (inter)nationale aanbevelingen voor een groennorm overwogen op basis van toepasbaarheid bij de situatie van een verdichtende stad. Volgens het college is de aanbeveling van het toenmalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) van 75 m2 groen per woning uit de Nota Ruimte 2004 vii alleen van toepassing op stadsuitbreiding buiten stadsgrenzen en gaat het niet op bij de ontwikkeling naar een compacte stad. Daarentegen zou een aanbeveling van de World Health Organisation (WHO) van minstens 9 m2 groen en idealiter 10-15 m2 groen per inwoner wel geschikt zijn als referentie voor Amsterdam. Omgerekend zou het neerkomen op 20 tot 30 m2 groen per woning, waar Amsterdam ruimschoots aan zou voldoen met ruim 60 m2 recreatief groen per woning.

Gezien het vorenstaande stellen ondergetekenden, beiden namens de fractie van de Partij voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen:

1.
a. Op welke manier wordt het oppervlakte aan groen in Amsterdam berekend?
b. Welke typen groen worden hierbij wel en niet meegenomen? Graag een toelichting.
c. Hoe vaak en op welke manier vinden herberekeningen plaats?

2. Kan het college inzicht geven in de ontwikkelingen van het oppervlakte groen in Amsterdam van de afgelopen 10 jaar met uitleg over de wijze van berekening en
de meegetelde typen groen?

3.
a. Wanneer en hoe is het college tot de bewering gekomen dat Amsterdam 60 m2 recreatief groen per woning heeft?
b. Welke typen groen zijn bij de berekening meegenomen en welke niet?
c. Op basis van welke woningcijfers is de berekening gebaseerd?

4. Hoe kijkt het college naar de in de inleiding genoemde bevindingen van planologen aan de UvA die onlangs concludeerden dat de groene ruimte in
Amsterdam tussen 2003 en 2016 is afgenomen met 3.000.000 m2 en daartegenover slechts is toegenomen met 40.000 m2?

5. Komen de resultaten van het onderzoek overeen met gegevens over het groen in de stad die bij de gemeente bekend zijn? Graag een toelichting.

6. Heeft de gemeente Amsterdam ervaring met remote-sensing technologie voor metingen, zoals is gebruikt door de planologen van het genoemde onderzoek om
de ontwikkeling van (het groen in) de stad te monitoren? Indien ja: in welke mate wordt dit toegepast? Indien nee: is het college geïnteresseerd in de toepassing
van deze techniek en zijn er plannen om hiermee te gaan werken? Graag een toelichting.

7. Deelt het college het gevoel van urgentie van de Partij voor de Dieren dat er in Amsterdam fors groene ruimte bij moet worden gecreëerd?

8. Hoe gaat het college met de huidige bouw- en verdichtingswoede voorkomen datAmsterdam één groot hitte-eiland wordt met slechte waterhuishouding en amper groene ruimte?

9. Klopt de uitspraak van wethouder met de portefeuille Sport dat Amsterdam een
groennorm heeft van 22 m2 groen per woning?

10. Indien de norm van 22m2 groen per woning klopt:
a. sinds wanneer is dit het geval en op basis van welke overwegingen is tot deze groennorm gekomen?
b. welke groentypen worden meegeteld bij de berekening van het oppervlakte groen in de stad dat wordt gebruikt voor de groennorm?

11. Indien de norm van 22 m2 groen per woning niet klopt: heeft het college een andere groennorm per woning?
a. Zo ja: welke norm is dat dan en kan het college hierover vraag a en b onder vraag 10 beantwoorden?
b. Zo nee: is het college bereid om een groennorm in te stellen en de raad hierover zo spoedig mogelijk een voorstel te sturen inclusief overwegingen
wat betreft het meetellen van welke groentypen? Graag een toelichting.

12. Kan het college uit het stuk “Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen” het besluit motiveren om de ervaringsnormen van IJburg met de WHO-norm als referentie te zullen nemen bij het toevoegen van hoogwaardig stedelijk groen in de ontwikkeling van de nieuwe stad? En kan het college hierbij de volgende vragen beantwoorden:
a. wat zijn de ervaringsnormen van IJburg wat betreft groen en groentypen?
b. kan het college uitleggen welke WHO-norm het college precies bedoelt, met een verwijzing naar de publicatie van het WHO met paginanummer waar deze
norm wordt toegelicht? Welke groentypen worden binnen deze norm meegerekend en zijn er aanvullende voorwaarden ten aanzien van deze norm
meegegeven door het WHO?
c. wat bedoelt het college met ‘hoogwaardig stedelijk groen’? Welke groentypen
worden hierbij meegerekend?

Toelichting door vragenstelsters:
De laatste commissie Ruimtelijke Ordening voor de verkiezingen, op 7 maart 2018, stond het hierboven genoemde stuk “Amsterdamse referentienorm voor
maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen” als TKN en deze is toen gepiept door de toenmalige commissieleden Geenen (PvA) en Van Heijningen (PvdD) omdat
zij het belangrijk vonden dat de nieuwe raad daar kennis van zou nemen.

13. Op welke manier is het genoemde stuk over de referentienorm ‘maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen’ ter kennisneming en bespreking voorgelegd aan de nieuwe gemeenteraad?

Toelichting door vragenstelsters:
De referentienormen zouden volgens het besluit jaarlijks na vaststelling op 30 januari 2018 worden geëvalueerd en worden opgenomen in de rapportage van het
programma Ruimte voor de Stad.

14. Wanneer verwacht het college deze evaluatie en de rapportage naar de gemeenteraad te sturen?

Gelieve bij ieder antwoord de bron te vermelden. We gaan ervan uit dat beantwoording binnen 4 weken plaatsvindt en wanneer dit niet lukt dit ter kennis
wordt gebracht.

De leden van de gemeenteraad,

A.L. Bakker en J.F. Bloemberg-Issa

i Giezen, M.; Balikci, S.; Arundel, R. Using Remote Sensing to Analyse Net Land-Use Change from
Conflicting Sustainability Policies: The Case of Amsterdam. ISPRS Int. J. Geo-Inf. 2018, 7, 381.
(http://www.uva.nl/shared-conte...
nieuws/2018/10/beleid-voor-een-duurzame-stad.html)
ii https://www.parool.nl/amsterda...
iii https://www.degezondestad.org/...
iv https://www.parool.nl/amsterda...
v Raadscommissieverslag ZJS, 10 januari 2019, zie pagina 17
https://amsterdam.raadsinforma...
e%22
vi Gemeente Amsterdam, ‘Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen
en spelen’, vastgesteld door College van B&W op 30 januari 2018, online versie 9 januari 2018,
https://amsterdam.raadsinforma...
vii Tweede Kamer der Staten-Generaal, ‘Nota Ruimte; Kabinetsstandpunt’, 2004,
https://zoek.officielebekendma...

Antwoorddatum: 12 apr. 2019

1.

a. Op welke manier wordt het oppervlakte aan groen in Amsterdam berekend?

b. Welke typen groen worden hierbij wel en niet meegenomen? Graag een toelichting.

c. Hoe vaak en op welke manier vinden herberekeningen plaats?

Antwoord:
a. Het openbare groen wordt getekend en berekend volgens de productbeschrijving bodemgebruik van Centraal Bureau voor de statistiek(CBS).

b. Het groen wordt daarin verdeeld in 3 Hoofdgroepen (recreatieterrein, agrarisch terrein en bos en open natuurlijk terrein. De hoofdgroepen bestaan uit verschillende categorieën. Per categorie is een omschrijving, toelichting en ondergrens bepaalt. Door de ondergrens is de CBS methode een grove methode. Kleiner groen als buurtgroen, zoals groene schoolpleinen, bermen en plantvakken, pocketparks, groene daken en bomen worden niet meegerekend. Voor verdere informatie van de hoofdgroepen en categorieën.

c. Op basis van nieuwe ondergronden en de productomschrijving bodemgebruik worden de veranderingen jaarlijks verwerkt op basis waarvan de oppervlakten opnieuw worden bepaald en gepubliceerd in Amsterdam in cijfers, Ruimtegebruik.

2. Kan het college inzicht geven in de ontwikkelingen van het oppervlakte groen in Amsterdam van de afgelopen 10 jaar met uitleg over de wijze van berekening en de meegetelde typen groen?

Antwoord:
Ja, dat kan op basis van het Ruimtegebruik van feiten en cijfers Amsterdam in de afgelopen jaren. Dit gaat in principe terug tot 1931, sinds het Algemeen uitbreidingsplan Amsterdam (AUP). In de loop der jaren is de methode van berekening wel een paar keer gewijzigd en is ook de gemeente Amsterdam in oppervlakte gegroeid. Hierdoor zijn de uitkomsten niet helemaal vergelijkbaar. Samenvattend kan gesteld worden dat er op basis van deze cijfers tussen 2007 tot 2015 sprake is van toename van de hoeveelheid groen in Amsterdam. Vanaf 2015 zien we een daling in het recreatieve groen, de hoeveelheid is echter nog steeds boven de hoeveelheid van 2007.

3.
a. Wanneer en hoe is het college tot de bewering gekomen dat Amsterdam 60 m2 recreatief groen per woning heeft?
b. Welke typen groen zijn bij de berekening meegenomen en welke niet?
c. Op basis van welke woningcijfers is de berekening gebaseerd?

Antwoord:
a. Het college heeft deze bewering gebaseerd op de cijfers, zoals gepubliceerd in Amsterdam in cijfers. De hoeveelheid groen per woning is berekend door de oppervlakte van het recreatieterrein te delen door het aantal woningen in 2016. De hoofdgroepen agrarisch terrein en bos en open natuurlijk terrein zijn in deze berekening niet meegenomen. Alleen het groen binnen de gemeentegrens is meegerekend.
25714600 m2 (2572 hectare) recreatie terrein / 423785 woningen = 60,68 m2 recreatie terrein /woning

b. Recreatieterrein volgens productbeschrijving CBS.
c. Volgens gegevens 2016, 423785 woningen (Amsterdam in cijfers).

4. Hoe kijkt het college naar de in de inleiding genoemde bevindingen van planologen aan de UvA die onlangs concludeerden dat de groene ruimte in Amsterdam tussen 2003 en 2016 is afgenomen met 3.000.000 m2 en daartegenover slechts is toegenomen met 40.000 m2?


Antwoord:
Het college herkent de resultaten van het onderzoek niet in vergelijking met de eigen data en vindt het te voorbarig om op basis van de uitkomsten conclusies te trekken. Het onderzoek van de UVA met remote sensing is interessant, maar behoeft nog wel nuancering en verdere ontwikkeling. De methode beperkt zich tot de ring A10 en houdt bijvoorbeeld geen rekening met bestemming van een locatie, tijdelijke transformatie, en of het openbaar groen betreft of privé groen. Zo kunnen tijdelijke groene braakliggende bouwrijplocaties het ene jaar als groen worden meegenomen en het andere jaar weer als bebouwd zijn verwerkt. De methode gaat dan uit van afname van groen, terwijl er nooit sprake is geweest om het in gebruik te nemen al openbaar groen. Op basis van de cijfers OIS kunnen we een globale vergelijking maken van het
recreatief groen tussen 2003 en 2016 voor heel Amsterdam. Het oppervlak aan recreatief groen is sinds 2003 gestegen, pas na 2015 is een daling zichtbaar.

5. Komen de resultaten van het onderzoek overeen met gegevens over het groen in de stad die bij de gemeente bekend zijn? Graag een toelichting.
Antwoord:
Nee. Zie antwoord 4.

6. Heeft de gemeente Amsterdam ervaring met remote-sensing technologie voor metingen, zoals is gebruikt door de planologen van het genoemde onderzoek om de ontwikkeling van (het groen in) de stad te monitoren? Indien ja: in welke mate wordt dit toegepast? Indien nee: is het college geïnteresseerd in de toepassing van deze techniek en zijn er plannen om hiermee te gaan werken? Graag een toelichting.


Antwoord:
De gemeente heeft geen ervaring met de remote sensing technologie. Het College staat sympathiek tegenover de methode en ziet mogelijkheden in de toekomst. Voor dit moment heeft het college vooralsnog geen belangstelling, omdat de techniek nog niet ver genoeg is doorontwikkeld. Door het ontbreken van onderscheid in bestemmingen en privé of openbaar groen is de methode nog niet betrouwbaar genoeg en zijn de gegevens niet vergelijkbaar met de gemeentelijke cijfers.

7. Deelt het college het gevoel van urgentie van de Partij voor de Dieren dat er in Amsterdam fors groene ruimte bij moet worden gecreëerd?

Antwoord:
Het college erkent het belang van voldoende toegankelijk groen in Amsterdam en dat de toe en afname van groen aandacht verdient in relatie tot de verdichting van de stad.
Het college gaat graag met de raad en de stad in gesprek hoe het belang van groen in Amsterdam te borgen in het kader van de groenvisie (horizon 2050) en de omgevingsvisie (horizon 2050).

8. Hoe gaat het college met de huidige bouw- en verdichtingswoede voorkomen dat Amsterdam één groot hitte-eiland wordt met slechte waterhuishouding en amper groene ruimte?

Antwoord:
Amsterdam is en blijft een groene stad met een goede waterhuishouding. In het algemeen kunnen we met groen koelen en water bergen op alle schaalniveaus.
De groene scheggen zijn hierin belangrijk voor het leefbaar houden van de stad bij hitte en hoe verder de scheggen de stad in kunnen hoe beter. Tangentiële groenverbindingen tussen de parken kunnen voor schaduw rijke routes naar de koelere parken zorgen. In de themastudie hitte en droogte (Ruimte voor de stad) wordt bovendien geadviseerd om voor iedere woning te streven naar een groene koele plek op 300 meter afstand en de grachten (afhankelijk van oriëntatie) meer te vergroenen zodat er koele luchtcorridors kunnen ontstaan. Eerste inzet van het college is om de kwaliteit van het bestaande groen te borgen en te optimaliseren. Vanuit de gemeente wordt vergroening gestimuleerd via subsidieregelingen zoals ‘vergroen je buurt’ en ‘groene daken en gevels’. Vanuit het programma Amsterdam Rainproof wordt actief gewerkt aan klimaatbestendig maken van de stad. Door middel van bewustwording en projecten om meer te vergroenen en minder te verstenen in het kader van regenwatermanagement, waarbij vermindering van hittestress een belangrijk neveneffect is. Het recent afgeronde onderzoek naar de gevolgen van het aanleggen van kelders
voor de grondwaterstand en –stroom geeft aan dat bij een toenemend aantal kelders een probleem kan ontstaan voor het grondwater. In delen van de stad zouden kelders “grondwaterneutraal” moeten worden aangelegd. Nader onderzoek is nodig om te bepalen hoe dat technisch gerealiseerd kan worden en hoe dit in regelgeving is onder
te brengen.

9. Klopt de uitspraak van wethouder met de portefeuille Sport dat Amsterdam een groennorm heeft van 22 m2 groen per woning?


Antwoord:
Ja, voor een gemengd stedelijk milieu in nieuwe gebiedsontwikkeling gaan we uit van 22 m2 per woning. Voor een centrum stedelijk milieu is de norm 16 m2 en voor een
groen/blauw milieu 28 m2 per woning.

10. Indien de norm van 22m2 groen per woning klopt:
a. sinds wanneer is dit het geval en op basis van welke overwegingen is tot deze groennorm gekomen?
b. welke groentypen worden meegeteld bij de berekening van het oppervlakte groen in de stad dat wordt gebruikt voor de groennorm?


Antwoord:
a. De groennormen zijn onderdeel van het referentie model maatschappelijke voorzieningen. Het model is in januari 2018 vastgesteld in het college. De norm was nodig als referentie voor de nieuwe stedenbouwkundige ontwikkeling, zie ook beantwoording vraag 7.
b. De groennormen worden niet gebruikt om de groene oppervlakte in de stad te berekenen. De groennormen worden gebruikt bij de nieuwe stedenbouwkundige plannen om te komen tot een referentie m2 groen in relatie tot het aantal woningen. De norm onderscheidt gebruiksgroen en ecosysteem groen.

11. Indien de norm van 22 m2 groen per woning niet klopt: heeft het college een andere groennorm per woning?
a. Zo ja: welke norm is dat dan en kan het college hierover vraag a en b onder vraag 10 beantwoorden?
b. Zo nee: is het college bereid om een groennorm in te stellen en de raad hierover zo spoedig mogelijk een voorstel te sturen inclusief overwegingen wat betreft het meetellen van welke groentypen? Graag een toelichting.


Antwoord:
Zie beantwoording vraag 10.

12. Kan het college uit het stuk “Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen” het besluit motiveren om de ervaringsnormen van IJburg met de WHO-norm als referentie te zullen nemen bij het toevoegen van hoogwaardig stedelijk groen in de ontwikkeling van de nieuwe stad? En kan het college hierbij de volgende vragen beantwoorden:
a. wat zijn de ervaringsnormen van IJburg wat betreft groen en groentypen?
b. kan het college uitleggen welke WHO-norm het college precies bedoelt, met een verwijzing naar de publicatie van het WHO met paginanummer waar deze norm wordt toegelicht? Welke groentypen worden binnen deze norm meegerekend en zijn er aanvullende voorwaarden ten aanzien van deze norm meegegeven door het WHO?
c. wat bedoelt het college met ‘hoogwaardig stedelijk groen’? Welke groentypen worden hierbij meegerekend?


Antwoord:
Voor het opstellen van de groennormen is onderzoek gedaan naar bestaande richtlijnen, bestaande hoeveelheid groen in Amsterdam, ervaringen in Amsterdam zelf en internationale voorbeelden. De ervaringen van IJburg waren het meest recent en een norm van een instantie als de WHO-norm leek het meest respectabel.

a. voor IJburg is een algemene richtlijn gehanteerd van 16 m2 groen per woning. Er is geen opsplitsing gehanteerd in groentypen. In werkelijkheid is er 27,4 m2 groen gerealiseerd. Dit is exclusief groen op daken en binnenterreinen en Diemerpark. IJburg kan beschouwd worden als een groen/blauw milieu.
b. Wij hebben de WHO norm overgenomen uit een publicatie van de Europese commissie (Measuring the Accessibility of Urban Green Areas, blz. 6). Vanwege de Herkomst van het rapport is de verwijzing niet gecontroleerd in de oorspronkelijke bron. Naar aanleiding van de raadsvragen is de bron pas opgezocht en nagelezen. Hierin wordt echter niet de 9,5 m2 genoemd. De WHO is benaderd met de vraag of zij een norm hebben afgegeven en zo ja of de publicatie kan worden toe gezonden.
c. Groen met een stedelijke betekenis, zowel in gebruik voor de mens als groen voor ecologie en klimaatadaptatie. Zoals groen van de Hoofdgroenstructuur en de ecologische structuur. In de norm is deze vertaald naar gebruiksgroen en ecosysteem groen.

Toelichting door vragenstelsters:
De laatste commissie Ruimtelijke Ordening voor de verkiezingen, op 7 maart 2018, stond het hierboven genoemde stuk “Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen” als TKN en deze is toen gepiept door de toenmalige commissieleden Geenen (PvdA) en Van Heijningen (PvdD) omdat zij het belangrijk vonden dat de nieuwe raad daar kennis van zou nemen.

13. Op welke manier is het genoemde stuk over de referentienorm ‘maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen’ ter kennisneming en bespreking voorgelegd aan de nieuwe gemeenteraad?

Het college heeft de referentienormen Maatschappelijke Voorzieningen ter kennisname aangeboden aan de raad. Na dat het stuk gepiept is, is het niet behandeld in de nieuwe raad. De raad is zelf verantwoordelijk voor haar agenda.

Toelichting door vragenstelsters: De referentienormen zouden volgens het besluit jaarlijks na vaststelling op 30 januari 2018 worden geëvalueerd en worden opgenomen in de rapportage van het programma Ruimte voor de Stad.

14. Wanneer verwacht het college deze evaluatie en de rapportage naar de gemeenteraad te sturen?

Antwoord: De verwachting is dat de evaluatie in de 2e helft van 2019 gereed is en ter kennisname naar de gemeenteraad wordt gestuurd.

Gebruikte Bronnen
· Amsterdam in cijfers (OIS), verschillende jaargangen voor oppervlakte groen en aantal woningen
· Algemeen uitbreidingsplan en toelichting
· Measuring the Accessibility of Urban Green Areas https://ec.europa.eu/jrc/en/publication/measuring-accessibility-urban-greenareas-
comparison-green-esm-other-datasets-four-european-cities
· Referentie Model maatschappelijke voorzieningen
· Bestand Bodemgebruik Productbeschrijving, CBS