Schrif­te­lijke vragen inzake aandeel­hou­der­schap Life Sciences Fund Amsterdam en inzet uitfa­sering dier­proeven


Indiendatum: nov. 2016

Aan het college van burgemeester en wethouders

Inleiding

Amsterdam is voor 29% aandeelhouder van het Life Sciences Fund Amsterdam (LSFA). Dit fonds is begin 2009 opgericht om meer (bio) medische bedrijven in de regio Amsterdam te huisvesten. Het LSFA investeert risicodragend tot 1,5 miljoen euro in kleinere ondernemingen op het gebied van Life Sciences en biedt verdere ondersteuning op verschillende gebieden.[1]
Het LSFA ondersteunt op die manier zes bedrijven.[2] Biomedische onderzoeksinstellingen maken veelal gebruik van dierproeven, zo ook de bedrijven waar het LSFA en dus de gemeente Amsterdam in investeert. Zo schrijft een van de bedrijven op de website onder andere primaten, konijnen en muizen te gebruiken voor onderzoek.[3] Een andere instelling heeft publicaties waarin bijvoorbeeld wordt omschreven hoe zware voorwerpen op de blootgelegde schedels van tientallen muizen en ratten worden gegooid.[4]

Gezien het vorenstaande stelt ondergetekende, namens de fractie van de Partij voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen:

1. Welke van de door het LSFA gesteunde instellingen voeren dierproeven uit of laten extern dierproeven uitvoeren?

2. Om hoeveel dierproeven gaat het in totaal sinds de invoering van het fonds? Graag specificeren per instelling, intern of extern uitgevoerde experimenten, de hoeveelheid dieren en het soort dieren.

3. Zijn er in de voorwaarden van het LSFA voorwaarden opgenomen over dierproeven? Zo ja, welke? Zo nee, is het college bereid om bij het LSFA actief op zoek te gaan naar een meerderheid van aandeelhouders voor het opnemen van strenge voorwaarden met betrekking tot dierproeven die uitgevoerd worden met steun van het LSFA?

4. Wordt er door de bedrijven waar het LSFA in investeert gebruik gemaakt van systematic reviews om het aantal onnodige dierproeven terug te dringen?

5. Wordt er door de bedrijven waar het LSFA in investeert ook onderzoek gedaan of gebruik gemaakt van alternatieven voor dierproeven? Zo nee, is het college bereid om in de aandeelhoudersvergadering te pleiten voor het stimuleren van investeringen in alternatieven voor proefdieronderzoek?

Gelieve bij ieder antwoord de bron te vermelden.

Het lid van de gemeenteraad,

J.F.W. van Lammeren

[1] Begroting 2017

[2] http://www.lsfamsterdam.nl/companies/

[3] http://www.aimmtherapeutics.com/science-and-technology/

[4] http://www.regenesance-pharma.com/technology/publications

Indiendatum: nov. 2016
Antwoorddatum: 22 mrt. 2017

1. Welke van de door het LSFA gesteunde instellingen voeren dierproeven uit of laten extern dierproeven uitvoeren?

Antwoord:
LSFA geeft desgevraagd aan dat bedrijven die geneesmiddelen voor patiënten ontwikkelen voorafgaand aan patiënten studies altijd dierproeven uitvoeren. Hoewel er in de wereld gewerkt wordt aan nieuwe test systemen, denk aan 'lab on a chip’ en andere diagnostische modellen, kunnen deze tot op heden de dierproeven niet vervangen. Door de European Medices Agency (EMA) en de Amerikaanse Food and Drug Administration () zijn dierproeven verplicht gesteld alvorens nieuwe geneesmiddelen op mensen mogen worden toegepast. Voor alle dierproeven dient het onderzoeksprotocol vooraf te worden beoordeeld en goedgekeurd door de Dier Experimenten Commissie (DEC). Onderzoeksinstituten als het AMC en VUMC hebben een eigen DEC. Alle onderzoekers zijn zich terdege bewust het dierenleed tot een minimum te beperken.


2. Om hoeveel dierproeven gaat het in totaal sinds de invoering van het fonds? Graag specificeren per instelling, intern of extern uitgevoerde experimenten, de hoeveelheid dieren en het soort dieren.


Antwoord:
LSFA geeft desgevraagd aan dat dit vertrouwelijke informatie betreft die gedeeld wordt met de ethische commissie voor dieren en mensen (De Centrale Commissie Dierproeven - CCD). Vanaf 18 december 2014 is de herziene Wet op de dierproeven (Wod) van kracht. De CCD verleent vergunningen voor dierproeven. Instellingen krijgen alleen een vergunning als er echt geen andere onderzoeksmethoden zijn om de wetenschappelijke vraag te beantwoorden en als het nut en de noodzaak van het onderzoek voldoende opwegen tegen het ongerief voor het dier.

3. Zijn er in de voorwaarden van het LSFA voorwaarden opgenomen over dierproeven? Zo ja, welke? Zo nee, is het college bereid om bij het LSFA actief op zoek te gaan naar een meerderheid van aandeelhouders voor het opnemen van strenge voorwaarden met betrekking tot dierproeven die uitgevoerd worden met steun van het LSFA?

Antwoord:
Bij de oprichting van het LSFA hebben de aandeelhouders, waarvan de gemeente Amsterdam er één is, niets bepaald over het gebruik van proefdieren. Het fonds participeert momenteel in zes biotech ondernemingen en is gesloten voor nieuwe ondernemingen. Evenmin is over het gebruik van proefdieren iets opgenomen in het gemeentelijke dierenwelzijnsbeleid (Agenda Dieren).

4. Wordt er door de bedrijven waar het LSFA in investeert gebruikgemaakt van systematic reviews om het aantal onnodige dierproeven terug te dringen?


Antwoord:
Desgevraagd geeft LSFA aan dat waar mogelijk dierproeven worden vervangen door in-vitro onderzoek. De redenen hiervoor zijn drieledig: a) hiermee kan onnodig dierenleed worden voorkomen,
b) in- vitro experimenten gaan sneller en
c) deze zijn in het algemeen goedkoper dan dierproeven. Om voorliggende reden worden de nieuwste ontwikkelingen op dit terrein nauwkeurig en systematisch door LSFA in de gaten gehouden.

5. Wordt er door de bedrijven waar het LSFA in investeert ook onderzoek gedaan of gebruikgemaakt van alternatieven voor dierproeven? Zo nee, is het college bereid om in de aandeelhoudersvergadering te pleiten voor het stimuleren van investeringen in alternatieven voor proefdieronderzoek?

Antwoord:
LSFA geeft desgevraagd aan dat waar mogelijk er gewerkt wordt met laboratorium - en in-vitro proeven. Er wordt geen specifiek onderzoek naar alternatieven verricht. Zie ook antwoord op vraag 3 en 4.