Schrif­te­lijke vragen inzake het falen van de naschei­dings­in­stal­latie van het Afval Energie Bedrijf


Inleiding
Amsterdam heeft de doelstelling om in 2020 minimaal 65% van het afval te scheiden[i]. Deze doelstelling leunt voor ongeveer de helft op het in gebruik nemen van een geavanceerde scheidingsinstallatie in het Afval Energie Bedrijf (AEB), en daardoor minder inzet op bronscheiding.

De Partij voor de Dieren kon in 2016 niet instemmen met de financiële onderbouwing van het investeringsbesluit [ii] De scheidingsinstallatie werd in 2017 in gebruik genomen.

Uit onderzoek van Het Parool blijkt nu dat de scheidingsinstallatie ver beneden verwachting presteert.[iii] Terwijl werd uitgegaan van een scheidingspercentage van 21,2% blijft dit na twee jaar hangen op 8,9%. Bovendien is er nauwelijks vraag naar de reststromen die wel gescheiden worden, waardoor zelfs oud papier verbrand wordt met het restafval.

Met de nascheiding in het vooruitzicht is in Amsterdam de afgelopen jaren nauwelijks ingezet op bronscheiding. GFT-afval zou worden gescheiden en verwerkt worden in een vergistingsinstallatie en een groengasinstallatie op het terrein van het AEB. AEB geeft nu aan dat deze de komende jaren nog niet gebouwd worden, omdat de focus ligt bij de ovens.

Amsterdam blijft bij afvalscheiding nog altijd ver achter bij het landelijk gemiddelde. Amsterdammers scheidden in 2018 maar 12,4%.[iv]

Het college moet forse stappen zetten om de doelstelling van 65% afvalscheiding in 2020 nog te behalen. Hierbij zal niet meer blind vertrouwd moeten worden op de nascheiding in het AEB, maar zal het college zelf de regie moeten terugnemen.

Gezien het vorenstaande stelt ondergetekende, namens de fractie van de Partij voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen:

  1. Heeft het college kennisgenomen van het onderzoek door het Parool? Zo ja, hoe beoordeelt het college dit?
  2. Hoe beziet het college deze ontwikkelingen in het licht van de gestelde doelstelling van 65% afvalscheiding in 2020?
  3. Is het college voornemens om alles op alles te zetten om deze doelstelling wel te behalen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
  4. Hoe beoordeelt het college het dat er de komende jaren niet ingezet zal worden op een vergistingsinstallatie en groengasinstallatie?
  5. Is het college bereid om de (wegens succes) stopgezette regeling voor het aanvragen voor wormenhotels weer te hervatten zodat Amsterdammers zelf hun GFT-afval kunnen composteren?
  6. Kijkt het college naar good practices van andere gemeenten om het gescheiden inzamelen en verwerken van afval te bevorderen?
  7. Is er inzicht in de financiële gevolgen van het niet functioneren van de nascheidingsinstallatie?
  8. Wie draait voor de kosten op? Wat is de inschatting door de gemeente? Beïnvloedt dit het verkoopproces in tijd en/of verkoopprijs?

[i]Amsterdam Circulair 2020-2025

[ii]https://amsterdam.partijvoordedieren.nl/moties/nascheidingslijn-aeb-niet-ten-koste-van-duurzaamheidsbudget

[iii]https://www.parool.nl/nieuws/dure-afvalscheider-aeb-presteert-ver-beneden-verwachting~bc02341e/

[iv]https://www.parool.nl/amsterdam/amsterdammers-laten-het-afweten-bij-afvalscheiding~b6b4d218/

Antwoorddatum: 20 feb. 2020

1. Heeft het college kennisgenomen van het onderzoek door het Parool? Zo ja, hoe beoordeelt het college dit?
Het college heeft kennisgenomen van het artikel, verschenen in het Parool, over de prestaties van de scheidingsinstallatie bij het AEB Amsterdam. Deze berichtgeving is in lijn met het beeld dat AEB Amsterdam de gemeente in 2018 heeft gegeven. De gemeenteraad is hierover geïnformeerd per brief op 5 december 2018 (BD-2018-016635), tevens is een inhoudelijke toelichting per brief gegeven op het scheidingspercentage aan de commissie MLD (5 december, dagmail 6 december) ‘Achterblijven realisatie scheiding huishoudelijk afval Amsterdam’. Ook is inhoudelijk op de achtergrond van de tegenvallende resultaten ingegaan bij de beantwoording van aanvullende schriftelijke vragen van het voormalig lid Guldemond en de leden Roosma, Boutkan, Poot en A.L. Bakker inzake de ontwikkelingen bij het Afval Energie Bedrijf (ingediend 10 december 2018, beantwoording 10 mei 2019).

Het college herkent zich in het beeld dat er minder grondstoffen nagescheiden worden in de installatie dan beoogd bij het investeringsbesluit onder andere vanwege technische mankementen. AEB Amsterdam geeft aanvullend aan dat voor sommige stromen de afzet problematisch is (oud papier) of technisch nog in ontwikkeling (PET trays). Dat zijn problemen die in het gehele land/ de wereld spelen.

AEB Amsterdam geeft aan dat het uit het restafval nagescheiden PMD (plastic verpakkingen, metalen en drankenkartons) in zijn geheel wordt afgezet richting vervolgverwerkers. Dit materiaal belandt niet bij AEB Amsterdam in de verbranding. Het college hecht eraan te benadrukken dat voor de gemeente Amsterdam bronscheiden van papier en karton het uitgangspunt is, vanwege de afzetbaarheid en kwaliteit van de in te zamelen stroom.

2. Hoe beziet het college deze ontwikkelingen in het licht van de gestelde doelstelling van 65% afvalscheiding in 2020?
Zoals eerder aangegeven in de brief van 5 december 2018, is het doel van 65% afval scheiden in 2020 (door de gemeenteraad vastgesteld in juni 2016, uitvoeringsplan afval 2016-2020) niet haalbaar gebleken. Over 2019 is circa 31,5% van het afval gescheiden voor verdere verwerking. Dat heeft te maken met achterblijvende resultaten op het thuis scheiden van afval, achterblijvend resultaat op het nascheiden van afval en het niet realiseren van de bewerkingsstap van het fijne, deels organische materiaal uit de nascheider.

Als we kijken naar de cijfers over 2019:

· Beoogd resultaat ‘bronscheiding’ over 2019 was 25,7%; resultaat komt uit op 17,7%.

· Beoogd resultaat ‘nascheiding’ grof afval én fijn huishoudelijk afval (de laatste stroom dus via de nascheidingsinstallatie bij AEB Amsterdam): 15,5%.

Resultaat: 13,8%. Achterblijvend resultaat is toe te schrijven aan de prestaties van de nascheider, deze had een beoogde bijdrage van circa 8% aan het totale scheidingspercentage, waar 4,8% is gerealiseerd.

NB deze laatste percentages zijn dus niet 1 op 1 te vergelijken met de percentages genoemd in Het Parool, die slaan op het gerealiseerde rendement van de nascheider zelf.

· De vervolgstap op het nascheiden van het restafval, namelijk de verwerking van fijn, deels organisch materiaal zou een 19,5% aan scheidingsresultaat bijdragen. Deze verwerkingsstap is niet gerealiseerd, zoals eind 2018 ook aan de commissie MLD gemeld. Dit project maakte onderdeel uit van het strategisch plan en daarin genoemde transitieprojecten. De situatie deze zomer, waarbij verbrandingslijnen zijn stilgelegd, en de focus op herstel van het bedrijf hebben gemaakt dat deze projecten voorlopig on hold staan.

Zoals eerder gemeld aan de raad per brief (5 december, dagmail 6 december) ligt landelijk de nadruk op een instrumenteel doel (namelijk afvalscheiden). Focus van beleid en interventies zouden meer moeten liggen op het voorkomen van afval en daar waar het toch ontstaat, op een zo hoogwaardig mogelijke verwerking ten behoeve van product naar product recycling en het vermijden van het gebruik van primaire grondstoffen.. Het scheiden van afval hoort dan bij het verwezenlijken van het laatste doel. Deze stelling wordt verder uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma afval 2020 – 2025.

3. Is het college voornemens om alles op alles te zetten om deze doelstelling wel te behalen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Uit het voorgaande volgt de conclusie dat realisatie van 65% afvalscheiding in 2020 niet haalbaar is, zoals eerder gemeld aan de commissie MLD per brief (5 december, dagmail 6 december). Afvalscheiding is zinvol. Het belangrijkste doel is van alle afval grondstoffen te maken, zodat er uiteindelijk geen sprake meer is van restafval. Dat kan alleen als we afval, of eigenlijk grondstoffen, gescheiden inzamelen. Het is goed hierbij een realistisch beeld te geven. Door maatregelen die in gang gezet zijn, zal het scheidingspercentage toenemen, maar het blijft de vraag of de 65% haalbaar is. Een toename van enkele procenten bronscheiding lijkt weinig, maar is in de praktijk een enorme opgave in Amsterdam. In een circulaire economie wordt afval voorkomen en wordt afval zo hoogwaardig mogelijk verwerkt. Afval scheiden draagt bij aan deze doelen, maar is geen doel op zich. Een maatregel die leidt tot een afname van het scheidingspercentage van afval, kan tegelijkertijd zinvol zijn omdat deze maatregel de hoeveelheid afval vermindert.

Een illustrerend voorbeeld hiervan is de JAJA sticker. Deze maatregel leidt tot een afname van het gebruik van papier. Dit heeft een negatief effect op het percentage afvalscheiding. Toch is het een zinvolle maatregel, gezien de milieu impact van het maken van nieuw papier en drukken van folders die daarmee wordt voorkomen.

Het uitvoeringsplan afval 2020 – 2025 zal daarom inzetten op het voorkomen van afval en het hoogwaardig verwerken/ recyclen van afval. Daar is afval scheiden voor nodig, maar het betekent wel een andere focus van het beleid.

4. Hoe beoordeelt het college het dat er de komende jaren niet ingezet zal worden op een vergistingsinstallatie en groengasinstallatie?
AEB is druk doende de basis op orde te brengen, dat is essentieel om de continuïteit van AEB op langere termijn te borgen. Dat hiervoor ook zaken moeten worden uit- of afgesteld is een gegeven. Mocht het stadsbestuur de aandelen in AEB verkopen en het afvalcontract voor de verwerking en eventueel de nascheiding van restafval via aanbesteding in de markt uitzetten, zal gezocht worden naar de beste prestaties op dit vlak.

5. Is het college bereid om de (wegens succes) stopgezette regeling voor het aanvragen voor wormenhotels weer te hervatten zodat Amsterdammers zelf hun GFT-afval kunnen composteren?
Het college neemt de evaluatie van het project Lokaal composteren via wormenhotels, waarbij in de buurt bewonersgroepen zijn gesteund om lokaal groente en fruitresten te ‘composteren’, mee bij het nieuwe uitvoeringsplan afval 2020 -2025 en bespreekt de vervolgaanpak met de stadsdeelbestuurders.

6. Kijkt het college naar good practices van andere gemeenten om het gescheiden inzamelen en verwerken van afval te bevorderen?
Ja, het college kijkt naar good practices van andere gemeenten binnen en buiten Nederland, en naar minder goede voorbeelden, waar de stad van kan leren. Denk aan het gebruik van voedselrestenvermalers met aparte opvang, voor het inzamelen van keukenafval in stedelijke gebieden, de manier van grof afval inzamelen op afspraak, de afvallogistiek in historische centra, het wel/niet werken van beloningssystemen en succesvolle communicatiecampagnes.

7. Is er inzicht in de financiële gevolgen van het niet functioneren van de nascheidingsinstallatie?
Zoals eerder aan de gemeenteraad aangegeven per brief (5 december 2018) heeft de tegenvallende prestatie van de scheidingsinstallatie het bedrijfsresultaat van AEB Amsterdam negatief beïnvloed. AEB beschouwt deze informatie als bedrijfsvertrouwelijk.

8. Wie draait voor de kosten op? Wat is de inschatting door de gemeente? Beïnvloedt dit het verkoopproces? In tijd en of verkoopprijs?
De opbrengsten en de kosten van de prestaties van de nascheidingsinstallatie vallen bij AEB. AEB Amsterdam geeft aan dat er een stijgende lijn te zien is in de prestaties van de nascheidingsintallatie en technische mankementen overkomelijk. De achterblijvende prestaties van de nascheidingsinstallatie kunnen door mogelijke kopers als risico worden gezien. Dit kan een negatief effect hebben op de verkoopprijs. De verwachting is dat er geen andere gevolgen zijn voor het verkoopproces.