Schrif­te­lijke vragen inzake provin­ciale plannen om natuur niet meer verplicht op te nemen in bestem­mings­plannen


Amsterdam, 16 oktober 2018

Aan het college van burgemeester en wethouders

Onlangs lag in de provincie de ontwerpwijziging van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) waar het de WKW-waarden en het NNN-gebied betreft ter inzage. Vragensteller is er via betrokken burgers achter gekomen dat de gemeente Amsterdam gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een zienswijze[1] in te dienen. Met de wijziging van artikel 19, dat gaat over Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen, wordt een wijziging voorgesteld waardoor natuur niet langer in bestemmingsplannen hoeft te worden opgenomen maar als recreatie bestempeld kan worden. De fractie van de Partij voor de Dieren Amsterdam vreest hierbij voor gevolgen van aantasting van de bodem, biodiversiteit, flora en fauna en verdere festivalisering in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) / Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebieden). De gemeente geeft in haar zienswijze aan positief te zijn over de wijziging van artikel 19, omdat er meer mogelijkheden voor recreatief gebruik in natuurgebieden komen.

Gezien het vorenstaande stelt ondergetekende, namens de fractie van de Partij voor de Dieren, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen:

  1. Is er vanuit de gemeente Amsterdam naast de ingediende zienswijze overleg gevoerd met de provincie over deze wijziging in de Provinciale Ruimtelijke Verordening?
  2. Waarom is de gemeenteraad niet geïnformeerd over de ingediende zienswijze? Is de wethouder bereid om in het vervolg zienswijzen over de Provinciale Ruimtelijke Verordening ook naar de commissie RO te sturen?
  3. Op welke wijze denkt de wethouder dat er met Wezenlijke Kenmerken en Waarden (WKW’s) een bijdrage geleverd wordt aan het uitbreiden van natuurwaarden van EHS/NNN-gebieden?
  4. Is de wethouder het met de Partij voor de Dieren eens dat deze wijziging onwenselijke gevolgen kan hebben die niet met de voornemens uit het coalitieakkoord stroken om de groene kwaliteiten van Amsterdam te behouden en de ecologische kwaliteit te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
  5. Wat gaat dit college doen om de natuurbescherming in Amsterdam voorop te stellen en verslechtering van de natuurwaarden te voorkomen?
  6. Bieden de WKW’s de absolute garantie dat in bestemmingsplannen de bescherming van de natuurwaarden niet achteruitgaan? Zo ja, waar baseert de wethouder dat op?
  7. Kan de wethouder zich voorstellen dat de natuurlijke ontwikkeling in een natuurgebied anders is dat die door ecologen op dit moment in de WKW is beschreven? Zo nee, waar baseert de wethouder zich op?
  8. Is het waar dat met de nieuwe Provinciale Ruimtelijke Verordening EHS/NNN-natuurgebied in de bestemmingsplannen, dan wel omgevingsvisie, niet meer als natuur bestemd hoeft te worden? Zo ja, wat zijn hier de consequenties van?
  9. Klopt het dat de recreatieschappen, waar de gemeente in participeert en geld aan afdraagt, wel moeten voldoen aan het provinciale natuurbeheerplan, maar niet in aanmerking komen voor de bijbehorende beheer subsidie (SNL)? Zo ja, wat vindt dit college daarvan?
  10. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat indien de natuurwaarden binnen de EHS/NNN-gebieden laag zijn, dat dit om investeringen in natuur vraagt en niet een vrijbrief om meer natuurverstorende recreatie toe te staan? Zo ja, waarom is er vanuit dit college zo positief op de voorgestelde PRV gereageerd?

Gelieve bij ieder antwoord de bron te vermelden. We gaan ervan uit dat beantwoording binnen 4 weken plaatsvindt en wanneer dit niet lukt dit ter kennis wordt gebracht.

Het lid van de gemeenteraad,

J.F. Bloemberg-Issa

[1] Bijlage 1: zienswijze gemeente Amsterdam

Antwoorddatum: 7 jan. 2019

1. Is er vanuit de gemeente Amsterdam naast de ingediende zienswijze overleg
gevoerd met de provincie over deze wijziging in de Provinciale Ruimtelijke
Verordening?

Antwoord:
Op het verzoek van raadslid Bloemberg-Issa om bij ieder antwoord de bron te
vermelden, wordt meegegeven dat de voorbereiding van alle antwoorden door de
ambtelijke organisatie is gedaan en in het bijzonder het organisatieonderdeel
Ruimte en Duurzaamheid.
De provincie heeft gemeenten geïnformeerd over deze wijziging door onder meer
het organiseren van provinciale bijeenkomsten. Ook heeft de provincie de
wijziging besproken in de recreatieschappen. Er is op bestuurlijk niveau tussen
Amsterdam en de provincie geen apart overleg geweest over deze wijziging.

2. Waarom is de gemeenteraad niet geïnformeerd over de ingediende zienswijze?
Is de wethouder bereid, in het vervolg zienswijzen over de Provinciale Ruimtelijke
Verordening ook naar de raadscommissie Ruimtelijke Ordening te sturen?

Antwoord:
De zienswijze die Amsterdam heeft ingediend is opgenomen op de TKN-lijst van
de raadscommissie Ruimtelijke ordening op 30 oktober 2018. De zienswijzen die
Amsterdam indient worden door het college vanuit haar informatieplicht
doorgaans aan de raad ter kennis gebracht door opname op de TKN-lijst van een
raadscommissie. Het college is hiertoe bereid.
In dit kader wordt opgemerkt dat het college veelal bevoegd is om een zienswijze
in te dienen en dat deze bevoegdheid in sommige gevallen is gemandateerd.
In dit geval is de bevoegdheid om een zienswijze op de Provinciale Ruimtelijke
Verordening door het college gemandateerd aan de directeur Ruimte en
Duurzaamheid.

3. Op welke wijze denkt de wethouder dat er met Wezenlijke Kenmerken en
Waarden (WKW’s) een bijdrage geleverd wordt aan het uitbreiden van
natuurwaarden van EHS/NNN-gebieden?

Antwoord:
Door de WKW’s van natuurwaarden te omschrijven in de Provinciale Ruimtelijke
Verordening komt er regelgeving met betrekking tot de (on)mogelijkheden van de
natuurgebieden. Hierdoor wordt meer duidelijkheid geschept.

4. Is de wethouder het met de Partij voor de Dieren eens dat deze wijziging
onwenselijke gevolgen kan hebben die niet met de voornemens uit het
coalitieakkoord stroken om de groene kwaliteiten van Amsterdam te behouden en
de ecologische kwaliteit te verbeteren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het college deelt deze mening van de Partij voor de Dieren niet. Met de wijziging
van de Provinciale Ruimtelijke Verordening worden regels gesteld waar
decentrale regelgeving, zoals bestemmingsplannen, aan moet voldoen. Het gaat
dus om een provinciaal kader waar de provincie verantwoordelijk voor is.
Amsterdam stelt zelf haar bestemmingsplannen op die in lijn dienen te zijn met
provinciale regelgeving, Omdat de gemeenteraad van Amsterdam de
bestemmingsplannen vaststelt, is het ook de raad die uiteindelijk over de te
maken keuzes gaat en in die zin beslist wat in het bestemmingsplan wordt
vastgelegd.

5. Wat gaat dit college doen om de natuurbescherming in Amsterdam voorop te
stellen en verslechtering van de natuurwaarden te voorkomen?

Antwoord:
Afgelopen collegeperiode is veel geïnvesteerd in groen. Zo is de Agenda Groen
tot stand gekomen en worden plannen uitgewerkt om 50% van het reguliere
groen buiten de ecologische structuur insectvriendelijk te beheren. Daarnaast
worden er voorstellen gedaan om natuurinclusief te bouwen. Dit college wil dit
versterken door het opstellen van een groenvisie conform het coalitieakkoord.
In de groenvisie wordt aandacht besteed aan natuurbescherming in Amsterdam.
Tevens wordt betrokken hoe verslechtering van natuurwaarden kan worden
voorkomen.

6. Bieden de WKW’s de absolute garantie dat in bestemmingsplannen de
bescherming van de natuurwaarden niet achteruitgaan? Zo ja, waar baseert de
wethouder dat op?

Antwoord:
Door de beschrijving van de WKW’s heeft de provincie een kader geschetst welke
gebieden (potentiële) natuurwaarden hebben. Hiermee biedt het provinciale kader
meer duidelijkheid en maatwerk. De bestemmingsplannen die Amsterdam opstelt
moeten in lijn met de Provinciale Ruimtelijke Verordening worden opgesteld. In
het kader van het wettelijk vooroverleg wordt door de provincie veelal getoetst of
de bestemmingsplannen in lijn met de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn
opgesteld.
Het instrument bestemmingsplan is gericht op toelatingsplanologie. De gedachte
hierachter is dat een ieder zelf mag bepalen (voor zover dat is toegestaan binnen
de planologische mogelijkheden) wat hij realiseert op zijn grondeigendom. Het
bestemmingsplan maakt bepaalde functies mogelijk en kan randvoorwaarden
stellen aan de mate en de wijze van bebouwing en het gebruik. De eigenaar
bepaalt binnen deze randvoorwaarden zelf wat hij realiseert en of wat hij niet
realiseert. Hij is dus niet verplicht om de bestemming te verwezenlijken. Dit
uitgangspunt heeft tot gevolg dat over het algemeen er geen uitvoeringsaspecten
in het bestemmingsplan worden opgenomen. Dit betekent dat het
bestemmingsplan die in lijn met de WKW’s is opgesteld, geen absolute garanties
kan geven dat de bescherming van de natuurwaarden niet achter uit gaan. In de
situatie dat in strijd met het bestemmingsplan wordt gehandeld, kan de gemeente
handhavend optreden.

7. Kan de wethouder zich voorstellen dat de natuurlijke ontwikkeling in een
natuurgebied anders is dat die door ecologen op dit moment in de WKW is
beschreven? Zo nee, waar baseert de wethouder zich op?

Antwoord:
De beschrijving van de WKW’s is zo goed mogelijk neergelegd, maar blijft een
momentopname. Voor het college is er geen aanleiding om te veronderstellen dat
de beschrijvingen momenteel onjuist zijn. Echter de natuur is niet statisch maar
dynamisch van aard en in die zin kan het voorgaande op termijn aanleiding geven
tot een actualisatie van de WKW’s.

8. Is het waar dat met de nieuwe Provinciale Ruimtelijke Verordening EHS/NNNnatuurgebied
in de bestemmingsplannen, dan wel omgevingsvisie, niet meer als
natuur bestemd hoeft te worden? Zo ja, wat zijn hier de consequenties van?

Antwoord:
Voor het toekennen van een bestemming aan een gebied/perceel is het
hoofdgebruik ter plaatse bepalend. In natuurgebieden zal veelal de bestemming
Natuur aan deze gronden worden toegekend. Echter het kan ook zijn dat het
gebruik ter plaatse een andere bestemming rechtvaardigt, zoals de bestemming
Agrarisch of Groen. Nu maar ook in de toekomst biedt de Provinciaal Ruimtelijke
Verordening ruimte om – wanneer specifieke omstandigheden van een gebied of
situatie daartoe aanleiding geven – een andere bestemming dan Natuur toe te
kennen aan een gebied/perceel. Voorgaand wordt veelal in (voor)overleg met de
provincie afgestemd. Op grond van het voorgaande doet zich geen wijziging voor
ten opzichte van hoe het nu is en zijn er dus ook geen consequenties hiervan te
verwachten.

9. Klopt het dat de recreatieschappen, waar de gemeente in participeert en geld aan
afdraagt, wel moeten voldoen aan het provinciale natuurbeheerplan, maar niet in
aanmerking komen voor de bijbehorende beheer subsidie (SNL)? Zo ja, wat vindt
dit college daarvan?

Antwoord:
In deze recreatiegebieden stelt het schap een beheerplan voor zowel
natuurbeheer als recreatiebeheer op en betalen de participanten de volledige
kosten op grond van een verdeelsleutel. De provincie is als grootste deelnemer
aan deze recreatieschappen meebetaler. De SNL is niet van toepassing op deze
recreatiegebieden. De provincie draagt op een andere manier bij aan deze
gebieden dan via het verstrekken van SNL. Uit het besluit van de gemeenteraad
aan deelname in de gemeenschappelijke regeling van de schappen volgt
instemming van de gemeenteraad. Het college heeft hierin een uitvoerende rol.

10. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat indien de natuurwaarden
binnen de EHS/NNN-gebieden laag zijn, dat dit om investeringen in natuur vraagt
en niet een vrijbrief om meer natuurverstorende recreatie toe te staan? Zo ja,
waarom is er vanuit dit college zo positief op de voorgestelde PRV gereageerd?

Antwoord:
Het college is blij dat de provincie met de wijziging van Provinciale Ruimtelijke
regelgeving met betrekking tot de (on)mogelijkheden van de natuurgebieden heeft
opgenomen. Hierdoor wordt meer duidelijkheid geschapen. Daarnaast is het
college van mening dat afhankelijk van de omstandigheden c.q. situatie
initiatieven inpasbaar kunnen zijn in natuurgebieden. Dit dient uiteraard met zorg
en aandacht te worden beoordeeld en ingepast te worden. Hierbij hoeven natuur
en initiatief niet per definitie elkaar te bijten maar kunnen elkaar ook versterken. In
die zin kan het college het niet op voorhand eens zijn met de stelling van de Partij
van de Dieren.

Burgemeester en wethouders van Amsterdam

Femke Halsema, burgemeester Peter Teesink, secretaris