Schrif­te­lijke vragen inzake de inves­te­ringsnota Buik­slo­terham 2020


Indiendatum: 2 okt. 2020

Bij de fracties van de Partij voor de Dieren, VVD en Partij van de Ouderen leven er zorgen, net als het Dagelijks Bestuur en inwoners van stadsdeel Noord, over bepaalde onderdelen binnen de investeringsnota Buiksloterham 2020. Met de investeringsnota Buiksloterham 2020 voldoet de wijk bijvoorbeeld niet aan de Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen en sport, die sinds 2018 door de gemeente wordt gehanteerd bij bouwontwikkelingen. Indieners hebben vragen over de hoeveelheid gebruiksgroen en wat hier onder verstaan wordt. Daarnaast willen de indieners weten waarom het college in de ruimte voor bedrijven en kantoren schrapt (t.o.v. het investeringsbesluit van 2006) en in hoeverre dit gevolgen zal hebben voor het toekomstige vestigingsklimaat. Ook is het onduidelijk waarom de oorspronkelijke bouwverhoudingen van 30% sociale huur en 70% midden en duursegment nu worden veranderd in 40% sociale huur en 60% midden- en duursegment en hoeveel dit de Amsterdamse belastingbetaler zal kosten.

Besluitvorming is daarom uitgesteld in de raadsvergadering van 30 september 2020. Vragenstellers willen meer informatie van het college om dit mee te nemen in een nieuwe commissiebespreking.

Gezien het vorenstaande stellen de leden Bloemberg-Issa, Naoum Néhmé ondergetekende, namens de fractie van de Partij voor de Dieren, VVD en Partij van de Ouderen, op grond van artikel 45 van het Reglement van orde voor de raad van Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders:

1. Het gebruiksgroen zal in plaats van de genormeerde 137.000m2 maar slechts 85.000m2 beslaan. Welke mogelijkheden ziet het college om het gebruiksgroen uit te breiden? Zijn hier scenario’s voor?

2. Hoeveel openbaar groen blijft er feitelijk over? Wat wordt er onder de resterende genormeerde 85.000m2 aan gebruiksgroen verstaan? Welke onderdelen tellen mee? Graag een toelichting.

3. Valt de resterende genormeerde 85.000m2 gebruiksgroen binnen het plangebied? Zo nee, hoeveel procent valt buiten het plangebied? Graag een toelichting.

4. Vergroening is niet alleen belangrijk om de leefbaarheid van de wijk te garanderen, maar ook noodzakelijk i.v.m. klimaatadaptatie. Hoe wil het college de stedelijke groennorm alsnog behalen?

5. Hoe wil het college de stedelijke sportnorm alsnog behalen?

6. Wanneer krijgt de raad te horen of het behalen van de sportnorm buitensporten buiten het plangebied mogelijk is?

7. De wethouder geeft in haar brief aan dat er geen belangrijke nadelige gevolgen op gebied van flora en fauna te verwachten zijn ten gevolge van het totaalprogramma in de investeringsnota. Worden er positieve gevolgen verwacht op het gebied van flora en fauna in het gebied en zo ja, welke?

8. Is er meer bekend over de gevolgen van de verhoging van het bouwvolume, meer hoogbouw, voor zonlicht en windhinder op het maaiveld?

9. Welke onderzoeken zijn uitgevoerd met betrekking tot de luchtkwaliteit met de uitvoering van deze plannen met extra woningen en de bouwplannen in de omliggende gebieden, die allen meer verkeer zullen trekken?

10. Is er een AERIUS-berekening gemaakt om te beoordelen of de stikstofdepositie ten gevolge van het plan invloed heeft op nabijgelegen Natura-2000 gebieden (Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske)? Zo nee, waarom niet en overweegt het college dit nog te onderzoeken?

11. Is het waar dat er geen onderzoek is gedaan naar milieuzonering en geluidseffecten van bedrijven, waardoor niet duidelijk is in hoeverre de bedrijvigheid gecombineerd kan worden met woningen? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd en overweegt het college dit nog te onderzoeken?

12. Kunnen de bouwplannen getoetst worden aan de hand van de nieuwe MER die wordt uitgevoerd?

13. Door de herontwikkeling gaat ook veel werkgelegenheid in met name kleine bedrijven verloren. Hoe zit het met de woon-werkbalans in Noord en wat betekent dit voor het woon-werkverkeer?

14. Hoe wil het college ervoor zorgen dat er een sociaal veilige en verblijfsvriendelijke buitenruimte ontstaat?

15. Met welk saldo zal de grondexploitatie worden verminderd gezien de voorgestelde verandering in het woonprogramma van 30/70 naar 40/40/20 op de gemeentelijke kavels?

16. Het college schrijft dat het geen enkele betaalbare koopwoningen wil bouwen omdat ze een gewild beleggingsobject kunnen zijn. Vindt het college het een gerechtvaardigde reden om Amsterdamse middeninkomens te duperen omdat er mogelijk investeerders zijn die in enkele koopwoningen geïnteresseerd zouden zijn?

17. Het college heeft zich lang grote voorstander getoond van de zelfwoonplicht en heeft inmiddels ingestemd met deze maatregel. Is door het college overwogen de zelfwoonplicht van toepassing te verklaren op de betaalbare koopwoningen in dit plangebied en ze daarom alsnog te gaan bouwen? Zo nee, waarom niet?

18. Zijn afspraken mogelijk met de projectontwikkelaars om betaalbare koopwoningen te bouwen niet al te klein te laten uitvallen? Zo ja aan wat voor afspraken moeten we denken?

19. Het college wil de verhouding veranderen (t.o.v. Investeringsbesluit van 2006) tussen wonen en niet-wonen van 50-50 bij nieuwe ontwikkelingen naar 70-30. Hoe relateert deze nieuwe verhouding tot de Bedrijvenstrategie 2020-2030 en Koers 2025?

20. Eerder waarschuwde wethouder Everhardt in de Bedrijvenstrategie: “Als de gemeente niet ingrijpt, verdwijnen ambachtelijke bedrijven, maakindustrie en reparatiewerkplaatsen uit de stad.” Ten koste van welke huidige en toekomstige bedrijvigheid zal de vermindering in de ruimte voor bedrijven en kantoren gaan? Heeft het college een impactanalyse verricht waarin toekomstscenario’s zijn doorgerekend van de impact van deze wijziging voor het vestigingsklimaat?

21. Op basis van welke concrete afwegingen maakt het college de keuze tussen ruimte voor wonen en ruimte voor werken? En is het college het met de indieners eens dat de charme van Amsterdam is dat het een woon- en werkstad is waar ook ruimte is voor recreëren en sporten?

22. Is het college bereid deze vragen te beantwoorden voor bespreking in de volgende commissievergadering Ruimtelijke Ordening?

Indiendatum: 2 okt. 2020
Antwoorddatum: 23 okt. 2020

  1. Het gebruiksgroen zal in plaats van de genormeerde 137.000m2 maar slechts 85.000m2 beslaan. Welke mogelijkheden ziet het college om het gebruiksgroen uit te breiden? Zijn hier scenario’s voor? Antwoord: in totaal wordt er in de uiteindelijke versie van de investeringsnota die aan de gemeenteraad wordt voorgelegd circa 91.000 m2 aan gebruiksgroen toegeschreven. Dit is een toename van 6.000 m2 ten opzichte van de 85.000 m2 die in de concept-investeringsnota die in december 2019 is vrijgegeven voor inspraak. Deze 91.000 m2 gebruiksgroen wordt gerealiseerd in het openbare ruimte-raamwerk van Buiksloterham. Daarnaast is het reëel er vanuit te gaan dat er 20% (28325m2) van het ecosysteem groen in de investeringsnota uiteindelijk kan worden omgezet naar gebruiksgroen door: - In ieder geval 9000 m2 openbaar gebruiksgroen op de gemeentelijke kavels in te richten. Vooralsnog is in het HIB op de gemeentelijke kavels veiligheidshalve in de berekeningen met ecosysteemgroen gerekend. Vooral de (grotere) gemeentelijke kavels zoals de kavels 8, 18, 19, 25 en 39 lenen zich goed voor het toevoegen van gebruiksgroen. Deze kavels zullen in meerdere bouwblokken worden opgedeeld met daartussen ruimte voor straten/paden en openbaar groen. - De 10m brede ecosysteem groenzone in de Papaverweg waarmee in het HIB is rekening gehouden om te zetten naar gebruiksgroen. - Er vanuit te gaan dat in ieder geval 6% (10.000m2) van het kaveloppervlak bij particuliere ontwikkelingen van ecosysteemgroen naar gebruiksgroen wordt omgezet. Veiligheidshalve is al het groen op particuliere kavels (40% van het kaveloppervlak) in het HIB aan ecosysteemgroen toegerekend. Per ontwikkeling zal het dan gaan om kleinschalig buurtgroen

Dit betekent de volgende verschuiving in de verhouding tussen gebruiksgroen en ecosysteemgroen:

Norm

HIB

Inclusief bovengenoemde maatregelen

Gebruiksgroen

137.200

91.200 (66%)

119.525 (87%)

Ecosysteemgroen

91.200

135.900 (149%)

107.575 (118%

TOTAAL

228.400

227.100 (99%)

227.100


2. Hoeveel openbaar groen blijft er feitelijk over? Wat wordt er onder de resterende genormeerde 85.000m2 aan gebruiksgroen verstaan? Welke onderdelen tellen mee? Graag een toelichting. Antwoord: in de onderstaande tabel wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel openbaar groen er in de investeringsnota Buiksloterham is opgenomen:

OPENBAAR GROEN

In m2

Gebruiksgroen

IJ-Oeverpark

34.555

Parken (o.a. Papaverpark, Volkentuin)

23,535

Groene corridors

13.840

Landaanwinning Johan van Hasseltkanaal

6.260

Buiksloterdijkpark (netto overschot Klaprozenbuurt)

13.000

91.190

Ecosysteemgroen (deels openbaar groen)

Kade en Oevers Johan van Hasseltkanaal

10.815

Groene straten

5.930

Papaverweg

9.025

Distelweg

3.215

28.985

TOTAAL OPENBAAR GROEN

120.175

Indien ook rekening wordt gehouden met de mogelijkheden om van ecosysteemgroen gebruiksgroen te maken zoals bij vraag 1 is aangegeven, dan komt het totaal openbaar groen op 139.175 m2 (9000m2 afkomstig van de gemeentelijke kavels en 10.000 m2 afkomstig van particuliere kavels)

3. Valt de resterende genormeerde 85.000m2 gebruiksgroen binnen het plangebied? Zo nee, hoeveel procent valt buiten het plangebied? Graag een toelichting. Antwoord: van het totaal van circa 91.000 m2 gebruiksgroen in de investeringsnota valt 13.000 m2 (14%) buiten het plangebied, te weten in het Buiksloterdijkpark in de Klaprozenbuurt. Door het overschot van de oppervlakte van dit park voor de Klaprozenbuurt op te nemen in Buiksloterham, wordt voldaan aan de referentienorm, waarin voor stadsparken een afstandsnorm geldt van 750 m.

4. Vergroening is niet alleen belangrijk om de leefbaarheid van de wijk te garanderen, maar ook noodzakelijk i.v.m. klimaatadaptatie. Hoe wil het college de stedelijke groennorm alsnog behalen? Antwoord: allereerst dient benadrukt te worden dat hoewel het voldoen aan de indicatieve referentienorm voor groen belangrijk is, er in de investeringsnota Buiksloterham veel aandacht is besteed aan kwalitatief hoogwaardig groen dat betekenis heeft voor heel Noord. Hierbij moet gedacht worden aan: · het doortrekken van de Kadoelerscheg vanuit de Buiksloterdijk / Zijkanaal I langs Buiksloterham tot aan Overhoeks. Dit nieuwe IJ-oeverpark vormt een zeer waardevolle toevoeging voor de groenbeleving en vormt een deel van de ontbrekende schakel in het groen/blauwe (fiets-) netwerk. · het Johan van Hasseltkanaal is nu een slecht bereikbare waterpartij met hoge kades zonder veel groen. Straks wordt dit een ecologische zone met verondiepingen en kleine landaanwinningen die de biodiversiteit vergroten. De Johan van Hasseltkade wordt vergroend en krijgt een hoge verblijfskwaliteit die reikt tot het hart van stadsdeel Noord. Het vormt een belangrijke dwarsverbinding tussen de Kadoelerscheg en de Noorderparkscheg Dit gezegd hebbende, draagt met name ecosysteemgroen, naast gebruiksgroen, bij aan klimaatadaptatie. Deze groentypologieën samen zijn in deze Investeringsnota vrijwel gelijk aan de referentienorm voor groen, er resteert slechts een verschil van 1.300 m2. Met de onderstaande tabel wordt dit verschil verklaard.

Norm

HIB

Gebruiksgroen

137.200

91.200

Ecosysteemgroen

91.200

135.900

TOTAAL

228.400

227.100

Tekort HIB

1.300

Een groot deel van het ecosysteemgroen kan de gebruiksfunctie van groen (spelen en recreëren) weliswaar niet vervullen, maar draagt wel bij aan andere functies van groen, zoals klimaatadaptatie of biodiversiteit. Daarnaast bestaat Buiksloterham voor een groot deel uit water, dat ook belangrijke functies vervult voor het ecosysteem: biodiversiteit, wateropvang, openheid in het gebied, verkoeling en beperken hittestress. Gebruiksgroen toevoegen om zodoende aan de gemengd stedelijke referentienorm voor gebruiksgroen te voldoen is mogelijk, maar heeft consequenties voor andere ambities. Er zou nog meer landaanwinning in het Johan van Hasseltkanaal kunnen plaatsvinden dan nu voorgesteld (6.260 m2). Op basis van eerdere inspraakavonden, de gevoerde co-creatie met de buurt en vanwege de te verwachte bezwaren hiertegen wordt niet voorgesteld hier de landaanwinning verder uit te breiden.

Nog meer groen toevoegen kan alleen door het verkleinen van het bouwprogramma. Puur vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn er mogelijkheden om kavel 8, 18A, 25 en 39A meer groen te realiseren (ten kosten van woningen, productieve bedrijfsruimte en financiële haalbaarheid) Gezien het grote financiële effect en de beperkte toename aan gebruiksgroen is het omzetten van een uitgeefbaar gemeentelijk kavel(s) naar groen financieel onhaalbaar. Bij een dergelijke (verdere) verslechtering zal het saldo van de grondexploitatie onvoldoende zijn om de financiële risico’s af te dekken. Hiervoor zal een voorziening in het Vereveningsfonds getroffen moeten worden, hiervoor is echter momenteel geen ruimte in het Vereveningsfonds. Bovendien heeft het negatieve gevolgen voor de andere ambities waaronder minder (betaalbare) woningen en productieve bedrijfsruimten.

Alles overziend kan dus worden geconcludeerd dat:

– de referentienorm in kwantitatieve zin op 1.300 m2 na wordt behaald

– de verhouding tussen gebruiksgroen en ecosysteemgroen niet conform referentienorm is maar dat er wel mogelijkheden zijn om deze beter in balans te brengen (zie beantwoording vraag 1).

– Volledig ‘behalen’ van de norm voor gebruiksgroen financieel niet haalbaar is.

5. Hoe wil het college de stedelijke sportnorm alsnog behalen? Antwoord: uitgangspunt is dat binnen het projectgebied in totaal 20.000m2 aan netto sportterrein gerealiseerd wordt. Dit vraagt om een zorgvuldige ontwikkelstrategie, zowel in ruimte als in tijd. Vooralsnog wordt binnen het projectgebied voorzien in: · een sportcluster van 10.000 m2 bij kavels W1 en 18A · kleinschalige sport van 2.400 m2 nabij kavel 39A/46. · Bij elkaar opgeteld is dit 12.400 m2 aan buitensport. · Voor de resterende opgave is in het project een inpassingsopgave van 7.600 m2 aangeduid. Een uitgevoerde ruimtelijke verkenning laat een ruimtepotentie van 9.400 m2 zien, zoals meer ruimte creëren op de aangewezen sportplekken, of extra clusters creëren in het plangebied. Dit moet verder uitgewerkt worden; binnen de ontwikkelstrategie moeten afwegingen gemaakt worden. Daarnaast wordt vanuit het project bijgedragen aan 22.000 m2 sport in Sportpark Kadoelen. Intensivering van het bestaande sportpark is een win-winsituatie; we faciliteren nieuwe inwoners om te kunnen sporten en bewegen én bieden ruimte voor bestaande sportverenigingen om door te groeien. Met de inpassing van kleine sportvoorzieningen binnen het plangebied en de bijdrage aan de intensivering van sportpark Kadoelen, komen we tot een divers en aan elkaar complementair sportaanbod voor de nieuwe inwoners van Buiksloterham. Door deze en aangrenzende sportvoorzieningen onderling goed met elkaar te verbinden en qua programma op elkaar af te stemmen, ontstaat een sport- en beweegnetwerk wat dooradert tot buurtniveau.

6. Wanneer krijgt de raad te horen of het behalen van de sportnorm buitensporten buiten het plangebied mogelijk is? Antwoord: Afgelopen zomer is een ambtelijke inventarisatie afgerond van potentiele locaties in Noord, gekoppeld aan de 1-2-3 aanpak: 1. sport binnen plangebieden, 2. intensiveren bestaande sportparken 3. realiseren nieuwe sportlocaties

Momenteel wordt gewerkt aan een gezamenlijk gedragen ontwikkelstrategie van extra locaties bovenop hetgeen wat al gedaan wordt, gevolgd door stappen per locatie om te komen tot realisatie. De genoemde ontwikkelstrategie is naar verwachting in het voorjaar van 2021 gereed. Dit traject is enkel ten aanzien van de buitenplanse opgave van 22.000m2 sportterrein, waarbij Buiksloterham is gekoppeld aan de intensivering van spotpark Kadoelen. Mocht de intensivering van Sportpark Kadoelen uiteindelijk niet haalbaar zijn, dan zal vanuit de werkgroep Samenhang Noord een terugvaloptie worden uitgewerkt, die in de eerstvolgende actualisatie van de Grex van Buiksloterham wordt meegenomen.

7. De wethouder geeft in haar brief aan dat er geen belangrijke nadelige gevolgen op gebied van flora en fauna te verwachten zijn ten gevolge van het totaalprogramma in de investeringsnota. Worden er positieve gevolgen verwacht op het gebied van flora en fauna in het gebied en zo ja, welke? Antwoord: de Natuurtoets die ter voorbereiding van deze herijking investeringsbesluit is uitgevoerd (juni 2019) constateert dat bij de verdere herontwikkeling van Buiksloterham een deel van de huidige natuurwaarden verloren zal gaan. De braakliggende percelen worden immers bebouwd en ook de rommelige hoekjes op minder intensief gebruikte kavels zullen verdwijnen. De verdere herontwikkeling biedt echter ook mogelijkheden om de natuurwaarden in het gebied te vergroten en de investeringsnota Buiksloterham zet daar stevig op in. Zo is er bij het inrichten van groen in de openbare ruimte en op de kavels veel aandacht voor de invulling en de bijdrage aan biodiversiteit en een toename van flora en fauna. In de uitgangspunten Circulair bouwen in Buiksloterham, die onderdeel zijn van de investeringsnota Buiksloterham, heeft dit onderwerp een belangrijke plek.

8. Is er meer bekend over de gevolgen van de verhoging van het bouwvolume, meer hoogbouw, voor zonlicht en windhinder op het maaiveld? Antwoord: hoewel de dichtheid in het gebied toeneemt, neemt de bouwhoogte slechts op een paar specifieke punten (zogenaamde hoogteaccenten) toe. De bouwhoogte blijft voor het overgrote deel gelijk aan vigerende plannen, namelijk 30 m. Hoogte-accenten kunnen alleen worden gerealiseerd bij afzonderlijke plannen onder voorwaarde dat een hoogbouweffectrapportage (HER) wordt uitgevoerd. In deze HER worden zaken als bezonning, windhinder en ruimtelijke inpassing nauwkeurig onderzocht. Behalve bij de onderbouwing bij Waboafwijkingsprocedures zal ook in de regels van een toekomstig bestemmingsplan cq omgevingsplan, bij toekenning van hoogtes boven de 30 meter als voorwaarde voor vergunningverlening de uitvoering van een HER verplicht worden gesteld.

9. Welke onderzoeken zijn uitgevoerd met betrekking tot de luchtkwaliteit met de uitvoering van deze plannen met extra woningen en de bouwplannen in de omliggende gebieden, die allen meer verkeer zullen trekken? Antwoord: het onderzoek naar luchtkwaliteit dat in september 2020 is uitgevoerd voor de investeringsnota is gebaseerd op het verkeersonderzoek dat in augustus 2020 is uitgevoerd. Voor het verkeersonderzoek is tevens een vergelijking gemaakt met het programma conform het bestemmingsplan uit 2009. Daaruit blijkt dat de reeds bestaande knelpunten nauwelijks verergeren wanneer het programma uit de investeringsnota wordt toegepast. Het aantal woningen neemt inderdaad toe, maar een significante toename van het verkeer blijft uit door strenger parkeerbeleid en lager voorzien autobezit voor de inwoners van de Buiksloterham. Hierdoor zal de luchtkwaliteit ook niet significant veranderen. Het geactualiseerde onderzoek luchtkwaliteit dat is gebaseerd op de verkeersintensiteiten uit het verkeersonderzoek laat zien dat de berekende waarden voor stikstofdioxide en fijnstof in het plangebied Buiksloterham als ook in de omgeving daarvan ver onder de wettelijke normen blijft.

10. Is er een AERIUS-berekening gemaakt om te beoordelen of de stikstofdepositie ten gevolge van het plan invloed heeft op nabijgelegen Natura-2000 gebieden (Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske)? Zo nee, waarom niet en overweegt het college dit nog te onderzoeken? Antwoord: Nee. De reden is dat een berekening van stikstofdepositie op hoofdlijnen niet zinvol is. Voor een berekening is het zicht op de wijze van planontwikkeling in dit stadium te globaal. Voor de gebruiksfase geldt dat de uitkomst van de berekening mede gezien de grote afstand tot Natura-2000 gebieden naar alle waarschijnlijkheid op nul uitkomt. Dit is gebaseerd op de geringe verkeerstoename die de ontwikkeling tot gevolg heeft en de aanname dat de toename van verkeer opgaat in het heersende verkeer van de Ring A10. De ervaring met grote projecten in Amsterdam leert dat de afstanden waarop de Natura-2000 gebieden gelegen zijn dermate groot zijn dat de verkeersgeneratie van projecten geen invloed heeft.

11. Is het waar dat er geen onderzoek is gedaan naar milieuzonering en geluidseffecten van bedrijven, waardoor niet duidelijk is in hoeverre de bedrijvigheid gecombineerd kan worden met woningen? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd en overweegt het college dit nog te onderzoeken? Antwoord: Ja, dat klopt. Er verandert op dit punt niets ten opzichte van het huidige investeringsbesluit en de daarop gevolgde juridische regeling in het bestemmingsplan. Daarom is in het kader van deze investeringsnota geen onderzoek gedaan. Voor nieuw op te richten bedrijvigheid geldt dat deze van een zodanige milieucategorie zijn, dat ze zich kunnen mengen met wonen. Bestaande bedrijven die tot een zwaardere milieucategorie behoren, zijn in het bestemmingsplan onder een zone gebracht, die wonen en werken tegen elkaar beschermen. Daar waar binnen de bestemming gemengd de ‘milieuzone, zone Wet milieubeheer’ van toepassing is, is wonen niet toegestaan. Pas als door de initiatiefnemer is aangetoond dat belangen van zittende bedrijven niet door de introductie van wonen in hun omgeving in gevaar worden gebracht en de beide functies in elkaars nabijheid verantwoord zijn, kan wonen alsnog worden vergund. Deze systematiek die o.b.v. individuele initiatieven maatwerk kan leveren, is nog steeds goed bruikbaar en kan ook onder de werking van deze investeringsnota goed blijven functioneren. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, cq omgevingsplan zal dan ook met hetzelfde doel opnieuw een dergelijke regeling worden opgenomen.

12. Kunnen de bouwplannen getoetst worden aan de hand van de nieuwe MER die wordt uitgevoerd? Antwoord: een nieuwe milieueffectrapportage (MER) is nu niet aan de orde. Als na vaststelling van dit herijkte investeringsbesluit een nieuw bestemmingsplan cq omgevingsplan wordt voorbereid zal in dat kader een mer-beoordeling plaatsvinden. Dat uit die beoordeling volgt dat ook een MER op gesteld moet worden, wordt - gezien de positieve uitkomsten van de onderzoeken die op hoofdlijnen de gevolgen van dit investeringsbesluit in beeld brengen - niet verwacht. Voor tussentijds binnenkomende aanvragen voor bouwplannen die afwijken van het geldende bestemmingsplan, zal zoals gebruikelijk door aanvrager een onderbouwing meegeleverd moeten worden. In het kader van die onderbouwing geldt de bestaande MER als basis en wordt in aanvulling met actueel onderzoek aangetoond dat de ontwikkeling ruimtelijk verantwoord is en geen nadelige gevolgen voor het milieu meebrengt.

13. Door de herontwikkeling gaat ook veel werkgelegenheid in met name kleine bedrijven verloren. Hoe zit het met de woon-werkbalans in Noord en wat betekent dit voor het woon-werkverkeer? Antwoord: Sinds de investeringsnota uit 2006 is het aantal m2 bedrijvigheid in Buiksloterham aanzienlijk afgenomen. Met de voorliggende investeringsnota en de daarin opgenomen eis om minimaal 15% productieve bedrijfsruimte te realiseren zal er naar verwachting juist méér bedrijfsprogramma ontstaan in het gebied. Door de inzet op ruimte-intensieve productieve bedrijvigheid, passend bij een hoogstedelijke omgeving, zal de werkgelegenheid en het aantal arbeidsplaatsen toenemen ten opzichte van de huidige situatie. AmsterdamNoord telt nu ongeveer 100.000 inwoners en 37.000 banen van meer dan 12 uur. Buiksloterham krijgt in de maximaal ontwikkelde variant ca 16.000 inwoners en ca 5000 banen gekoppeld aan kantoor en bedrijfsruimte (naast werkgelegenheid gekoppeld aan allerhande voorzieningen). De totale aantallen verplaatsingen (gerekend met alle modaliteiten) in het studiegebied nemen door de gebiedsontwikkeling toe, en men neemt dan vaker het OV of de fiets. Het aandeel fietsen en OV van het plan in het studiegebied hoger is dan in de rest van stadsdeel Noord, en het aandeel autobestuurders lager.

14. Hoe wil het college ervoor zorgen dat er een sociaal veilige en verblijfsvriendelijke buitenruimte ontstaat? Antwoord: Een belangrijke factor is de invulling van de plintruimte omdat de invulling van de plint bepalend is voor toezicht op straat en de mate van levendigheid op straat op de verschillende momenten van de dag. Door productieve bedrijvigheid (die in de avond en nacht in principe geen levendigheid of toezicht genereert) fijnmazig te mengen met functies die dat wel doen zoals wonen, horeca en culturele voorzieningen/ontmoetingsplekken worden condities gecreëerd voor een sociaal-veilige omgeving. Stadsstraten zijn hierbij in het bijzonder van betekenis omdat deze straten tevens doorgaande routes zijn met ook relatief veel (fiets)verkeer in de avond en nacht. Voor met name bezoekersparkeren zal gebruik worden gemaakt van de mobiliteitshubs in het gebied. Door deze vorm van parkeren te concentreren zal er minder autoverkeer ontstaan op de 30km/u wegen in Buiksloterham. De kwaliteit van de openbare ruimte krijgt een impuls door de beoogde toename van gebruiksgroen en ecosysteemgroen. Belangrijke kwaliteiten in de buitenruimte worden de Johan van Hasseltkade en het IJ-Oeverpark. Voor Johan van Hasseltkade en -kanaal, maar ook voor andere inrichtingsopgaven voor de openbare ruimte wordt de buurt nauw betrokken om zo met bewoners en ondernemers tot een verblijfsvriendelijke buitenruimte te komen.

15. Met welk saldo zal de grondexploitatie worden verminderd gezien de voorgestelde verandering in het woonprogramma van 30/70 naar 40/40/20 op de gemeentelijke kavels? Antwoord: Zie KABINET bijlage die ter inzage wordt gelegd voor de raadsleden.

16. Het college schrijft dat het geen enkele betaalbare koopwoningen wil bouwen omdat ze een gewild beleggingsobject kunnen zijn. Vindt het college het een gerechtvaardigde reden om Amsterdamse middeninkomens te duperen omdat er mogelijk investeerders zijn die in enkele koopwoningen geïnteresseerd zouden zijn? Antwoord: In gebieden met veel marktdruk biedt het realiseren van huurwoningen de beste kansen om het gebied duurzaam toegankelijk te houden voor middeninkomens. Het geeft de gemeente de mogelijkheid afspraken te maken over huurprijs (maximaal en gemiddeld), woningomvang in diverse categorieën en er kunnen afspraken worden gemaakt over hoe lang de woningen in het middensegment blijven. Middeninkomens in Amsterdam zijn hier dus bij gebaat.

17. Het college heeft zich lang groot voorstander getoond van de zelfwoonplicht en heeft inmiddels ingestemd met deze maatregel. Is door het college overwogen de zelfwoonplicht van toepassing te verklaren op de betaalbare koopwoningen in dit plangebied en ze daarom alsnog te gaan bouwen? Zo nee, waarom niet? Antwoord: De zelfwoonplicht is van toepassing in Buiksloterham, maar dat biedt voor betaalbare koopwoningen geen oplossing. Zoals bij het antwoord op vraag 18 hieronder wordt aangegeven: dit levert enkel profijt op voor de eerste koper. Het is daarom verstandiger om in te zetten op middeldure huurwoningen. Middeninkomens bestaan namelijk uit een groep met heel diverse huishoudtypen: alleenwonenden, stellen zonder kind, gezinnen. De toegankelijkheid van Buiksloterham voor al deze huishoudenstypen binnen de groep middeninkomens is het beste gewaarborgd via de huur; met middensegment koop zal slechts een deel van deze huishoudenstypen met een middeninkomen bediend kunnen worden. Bij het middensegment huur worden afspraken gemaakt over huurprijs (gemiddelde en bandbreedte) en woningomvang, zodat het voor alle huishoudtypen met een middeninkomen toegankelijk is. Daarnaast worden afspraken gemaakt over de termijn waarbinnen deze woningen als middensegment huur woningen worden verhuurd (25-50 jaar) zodat de toegankelijkheid op lange termijn voor middeninkomens beter is gewaarborgd.

18. Zijn afspraken mogelijk met de projectontwikkelaars om betaalbare koopwoningen te bouwen niet al te klein te laten uitvallen? Zo ja aan wat voor afspraken moeten we denken? Antwoord: Hoewel het mogelijk is om afspraken te maken met projectontwikkelaars over de woninggrootte van koopwoningen uit het middensegment, zullen dit altijd niet-marktconforme afspraken zijn die alleen voor de eerste koper profijt opleveren. De eerste koper kan de woning immers doorverkopen tegen een hogere prijs. Dergelijke afspraken leveren dus alleen winst uit doorverkoop op voor de eerste koper en dragen niet bij aan het realiseren van een duurzaam bestand aan middensegment koopwoningen.

19. Het college wil de verhouding veranderen (t.o.v. Investeringsbesluit van 2006) tussen wonen en niet-wonen van 50-50 bij nieuwe ontwikkelingen naar 70-30. Hoe relateert deze nieuwe verhouding tot de Bedrijvenstrategie 2020- 2030 en Koers 2025? Antwoord: De bedrijvenstrategie 2020-2030 ‘Amsterdam Duurzaam Productief’ hanteert als richtlijn voor productieve wijken tussen de 5% - 15% voor productieve bedrijven te reserveren. Buiksloterham hanteert het maximum van 15%. De investeringsnota onderschrijft daarmee de ambities zoals genoemd in de ‘Bedrijvenstrategie 2020-2030’. In het verlengde van de bedrijvenstrategie is voor de uitvoeringsfase(fase 4) het rapport ‘Buiksloterham Werkt!, de toekomst van de productieve bedrijvigheid in Buiksloterham” in de maak. Het biedt concrete handvatten voor het goed inpassen van productieve bedrijvigheid. In Koers 2025 is Buiksloterham aangemerkt als gemengde stadsbuurt en tevens versnellingslocatie. Een verhoging van de dichtheid en het opschroeven van het woonprogramma, zonder daarbij het niet-wonenprogramma in absolute zin aan te tasten, is voor Buiksloterham een logische keuze. Beide beleidsstukken zijn daarmee vertaald in de investeringsnota Buiksloterham 2020.

20. Eerder waarschuwde wethouder Everhardt in de Bedrijvenstrategie: “Als de gemeente niet ingrijpt, verdwijnen ambachtelijke bedrijven, maakindustrie en reparatiewerkplaatsen uit de stad.” Ten koste van welke huidige en toekomstige bedrijvigheid zal de vermindering in de ruimte voor bedrijven en kantoren gaan? Heeft het college een impactanalyse verricht waarin toekomstscenario’s zijn doorgerekend van de impact van deze wijziging voor het vestigingsklimaat? Antwoord: Voor het eerst is er nu een harde eis ten behoeve van de productieve bedrijvigheid. Minimaal 15% van een ontwikkeleenheid moet worden ingeruimd voor productieve bedrijfsruimte, waar ambacht en maakindustrie onder vallen. Een dergelijke minimum eis zit niet in vigerende plannen voor het gebied. Deze eis is het hoogste percentage productieve ruimte dat in de bedrijvenstrategie 2020-2030, “Amsterdam duurzaam productief” (met een bandbreedte van 5%- 15%) als wenselijk wordt gezien voor productieve wijken zoals Buiksloterham, waarin productieruimte ook gecombineerd moet worden met wonen en anders de leefbaarheid in het geding komt. De toevoeging van 265.000 m2 bvo in de voorliggende investeringsnota komt bijna geheel ten goede van het woonprogramma en gaat niet ten koste van het niet-wonenprogramma. Naar verhouding is er binnen het niet-wonenprogramma meer ruimte gekomen voor maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en overige functies (waaronder horeca). Functies waar ook allen gewerkt wordt. De investeringsnota zet bij nieuwe ontwikkelingen in op ruimte intensieve bedrijvigheid en zet, net als het huidige investeringsbesluit (2006), in op bedrijvigheid uit een milieucategorie die goed te mengen is met woningen. Daarbij moet worden benadrukt dat bestaande bedrijven, ook van een hogere milieucategorie, niet worden gedwongen te vertrekken. Het huidige bestemmingsplan zorgt er door middel van de aanduiding ‘milieuzone, zone Wet milieubeheer’ rondom deze bedrijven voor dat bij ontwikkeling van woningbouw rekening wordt gehouden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Particulieren (erfpachters of eigen grond) kunnen zelf beslissen of en op welke termijn ze gaan transformeren.

21. Op basis van welke concrete afwegingen maakt het college de keuze tussen ruimte voor wonen en ruimte voor werken? En is het college het met de indieners eens dat de charme van Amsterdam is dat het een woon- en werkstad is waar ook ruimte is voor recreëren en sporten? Antwoord: Het college onderschrijft dat de genoemde elementen Amsterdam leefbaar en heterogeen maken, en streeft dit ook na voor Buiksloterham. Waar Buiksloterham van oudsher een industrieterrein is met veel ruimte extensieve bedrijvigheid, ontstaat door transformatie een steeds diverser woon-werkgebied, waar ook oog is voor groen, sport en andere voorzieningen. De toevoeging van 265.000 m2 bvo woonprogramma in de voorliggende investeringsnota is in lijn met de gemeentelijke behoefte om de woningschaarste in Amsterdam terug te dringen en gaat niet ten koste van het nietwonenprogramma. Naar verhouding is er binnen het niet-wonenprogramma meer ruimte gekomen voor maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en overige functies (waaronder horeca).Daardoor zal Buiksloterham steeds verder gestalte krijgen als een gemengd hoogstedelijk gebied met een sterke nadruk op wonen en werken.

22. Is het college bereid deze vragen te beantwoorden voor bespreking in de volgende commissievergadering Ruimtelijke Ordening? Antwoord: zeker.